reisverhalen van leen en roel deel 2

Slovenië (2011)

Rondreis door afwisselend en sympathiek Slovenië

 

9 – 19 september 2011

Een klein land, maar zoveel afwisseling!

We bekeken bergen, meren, riviertjes, stadjes, de zee, wijnstreken, de hoofdstad, watervallen, musea en nog zo veel meer, en sloten af met een dagje in regenachtig Salzburg.

                  HOOGTEPUNTEN VAN  ONZE TRIP:

     -          Het heldere, blauwe of groene water van riviertjes, meren en de zee
     -          Terug naar de middeleeuwen bij de smid in Kropa
     -          Kennismaking met de intrigerende grottenolm
     -          Superlekker eten: van het kunstige ijsje in Piran tot ons dinertje in de wijnstreek
     -          Ljubljana: de mooiste en gezelligste hoofdstad die we al bezochten
     -          Mooie fresco’s, zoals in het fascinerende en grappige kerkje van Hrastovlje
    -          Onze korte, maar verrassend mooie rondrit doorheen de lieflijke wijnstreek
     -          De mooiste watervallen: achter de Slap Pericnik en klauteren naar de Slap Kozjak
     -          En natuurlijk de voorpret: het regelen en uitzoeken vooraf

   9 september – Rit van 12 uren naar Bled

Rond 4 u reden we onze oprit al af, helemaal klaar om regenachtig België achter ons te laten. Eerst in het donker en in de regen door België en Nederland. In Duitsland eerste pit stop, en in de buurt van Frankfurt ook ontbijtstop bij een groot wegrestaurant. Veel wegenwerken onderweg, maar gelukkig geen file. In de tegenovergestelde richting was dat vaak anders. Het feit dat je in Duitsland geen maximum snelheid hebt, hielp ook goed mee, en de kilometer gleden voorbij. Vaak prachtige landschappen: heuvels, dichte bossen, weilanden, hopvelden, wijngaarden, schattige dorpjes,… Het weer werd ook langzaam aan beter en beter. Op één parking troffen we – naast heel vieze WC’s – een prachtige bloementuin aan. Typisch Duits zijn ook de 70 cent WC’s met automaat en draaihek. Gelukkig is het bonnetje bijna volledig te recupereren: één bonnetje per (dure) koffie uit de automaat!

   

In Beieren, met de Alpen al in zicht, maakten we een langere stop bij een wegrestaurant voor de lunch, want joepie, ik had hier een Burger King gedetecteerd. We kochten ook onze vignetten voor de snelwegen van Oostenrijk en Slovenië. Parallel aan de Alpen reden we naar de grensovergang met Oostenrijk, vlakbij Salzburg. In Oostenrijk heeft onze nieuw aangekochte TomTom zich ruimschoots terugverdiend: veel gemene flitspalen hier! Meestal bij de tunnels die talrijk en vaak behoorlijk lang waren, zoals de Tauerentunnel en de Katschbergtunnel. Bij de Taurensnelweg moesten we ook 10 euro tol betalen. Op Tauerenalm maakten we nog een tankstop, met prachtig uitzicht op een spectaculaire brug en hoge bergen. Via de smalle en 8 km lange Karawanken toltunnel reden we dan onze bestemming Slovenië binnen! Nog een kort eindje rijden en we konden de snelweg verlaten en reden recht naar ons hotel toe: de Best Western Premier Lovec in Bled. Om 4 u waren we hier al. De zon scheen volop!

  

We zagen het meer al liggen, maar gingen eerst inchecken. Eerste verdieping, met zicht op het meer maar dat konden we door al de gebouwen er tussen toch niet zien liggen. We waren trouwens heel tevreden van dit hotel. Daarna op naar het meer! Het helblauwe water zag er heel aanlokkelijk uit, en zo helder! Je zag de visjes zwemmen. En rondom het meer stonden sjieke hotels, het kasteel bovenop een rots, en natuurlijk de bergen rondom en het eilandje met kerkje in het midden van het meer. We wilden hiervoor de typische “Pletna”, een soort grote gondel nemen. Achteraf gezien hadden we beter een roeibootje gehuurd aan de andere kant van het meer, maar ach ja we hebben wel de meest cliché toeristische uitstap van Slovenië gedaan, haha. Na wachten tot het bootje vol was, vertrokken we heel traag (oud mannetje als roeier) naar het Maria-eilandje. 99 steile trappen op (bijzonder) waren we bij enkele oude gebouwtjes, het mini kerkje met de wensklok (die ik natuurlijk geluid heb, niet gemakkelijk om dat exact 3 keer te doen), bezochten het kleine museumpje en wandelden we ook nog even rondom het eilandje langs het prachtige meer. En dan gingen we traaaaaag terug. 

    

 Tijd voor een welverdiend ijsje, want het was heel warm in Bled! Langs de oever wandelden we tot het kleine dorpje Mlino, want we hadden gezien dat daar een volksfeest aan de gang was. Dat zag er echt super gezellig uit, maar enkel voor de locals. Wij kozen dan ook voor het terras van het restaurantje Pletna, met zicht op het Maria eilandje en het meer. Heerlijk zitten, en we hebben ook lekker gegeten! Eenvoudig maar vers. Daarna terug langs het meer, met de zwanen, en eendjes als gezelschap. Het kasteel van Bled, hoog op de rots, was echt prachtig verlicht! In Bled veel poeha, want er was een sjiek congres aan de gang. Wij zijn nog even gaan ontspannen in de jacuzzi van het hotel, en daarna goed op tijd gaan slapen na deze lange, maar leuke reisdag!

 

10 september  –Prachtige kloven en schattige dorpjes rondom Bled                                                     

Vroeg op, zoals altijd op vakantie. Na een lekker ontbijtje in het hotel, waren we al rond 8 u als eersten bij de Vintgar kloof, die we helemaal voor onszelf hadden! Heel mooi, met een houten boardwalk die het riviertje door de kloof volgt. Helderblauw water, stroomversnellingen, poeltjes, bruggetjes, en dat 1.6 km lang. Zo kwamen we bij een brug en verder bij een soort dam. Hier dronken we een koffie bij de schattige kiosk en maakten we een klein ommetje naar de Sum-waterval. Verder door het bos (onze eerste kennismaking met de steile Sloveense keien-hellingen) rondom de berg Hom, tot het St katarina kerkje, en zo door bergweiden (warm en veel bloemen), langs de koetjes, terug naar de Vintgar kloof waar het ondertussen een drukte van jewelste was.

    

Na een foto van het varken-aan-het-spit dat we in het dorp hadden gezien, reden we door naar Radovljica, een klein stadje met aan het Lintgart plein gekleurde (en wat afgesleten) 16de eeuwse huizen. Niet groot, wel mooi. We trokken meteen naar het bijenmuseum. Een erg leuk museum, waar vooral de beschilderde plankjes van bijenkasten (de “ingang deksels”) erg bijzonder waren. We keken nog wat rond in het grote gebouw, en aan het aangrenzende kerkje en romantische kerkpleintje, waar met veel liefde verse bloemstukjes gemaakt werden. Ook vonden we nog een leuk binnenkoertje van de rectory. In de kelderverdieping van een schattig cafétje was nog het gingerbread museum: een klein ouderwets museumpje waar een soort van honing-kaneel koeken ambachtelijk gemaakt en vol kleurrijke details versierd werden. (helaas niet zo lekker, bleek toen we er achteraf van proefden; maar leuk om te zien!) En we aten een heerlijk ijsje op het marktplein. Buiten het pleintje was het stadje verder niet zo bijzonder, dus gingen we verder met onze rondrit. We zagen Radovljica mooi liggen op de heuveltop.

  

Volgende stop was Kropa, een klein kleurrijk dorpje langsheen een bruisend riviertje en bekend van de ijzersmeedkunst. Eén van onze favoriete plaatsen van deze reis: kleurige (helaas vaak wat versleten) huizen, langsheen aftakkingen van de stroom. We ontdekten waarom deze dienden: een zij-beekje dreef een molenrad aan. En toen we even in de schuur wilden piepen was hier tot onze grote verrassing een smid bezig, op een vuurtje aangedreven door een blaasbalg, aangedreven door het rad buiten. Ongelooflijk! Van de vriendelijke man mochten we even toekijken. We wandelden verder in het dorpje, ook naar het kerkje hoger op de berg, en bezochten het sympathieke museum. Het pronkstuk daar was de 19de eeuwse Tsjechische jukbox, met trommetjes, een triangel enz…

   

We reden verder; de weg ging met haarspeldbochten steil naar boven. We passeerden een superschattig kerkje vlakbij Jamnik gelegen op een bergkam. Een korte maar spectaculaire wandeling er naar toe. Verder tot Drasgoze, hier in de buurt zagen we een gek modern monument/uitkijktoren voor één of andere oorlog – we weten niet waarvoor juist. Via kleine weggetjes terugrijden naar Bled leek niet echt een goed idee (we ontdekten al gauw dat deze in Slovenië vaak onverhard zijn) en daarom reden we via dezelfde weg terug, waarbij we in de buurt van Kropa in een gostilna (lekker ouderwets ingericht met een tegelstoof) een typische Sloveense bouillon-ei-noedelsoep aten.

  

Bled voorbij gingen we op zoek naar de Pokljuka kloof. We volgden net iets te enthousiast de bordjes met “Pokljuka” op; maar deze brachten ons verder op het Pokljuka plateau. Bij hotel Sport aangekomen begrepen we dat we te ver waren; na een korte boswandeling reden we bijna volledig de weg terug en zag Roel toch, in het dorpje Krnica het kleine bordje naar “Pokljuka Soteska”. Een onverharde weg later kwamen we in een donker bos. Ik had een kloof als Vintgar verwacht maar blijkbaar ging het hier om een droge vallei. Heel mooi zag het er aanvankelijk niet uit; gewoon een brede ravijn. Maar hoekje om kwamen de rotswanden dicht bij elkaar (er was ook een “arch”) – ik moest even denken aan de canyons in de USA. Heel spectaculair. Zo kwamen we op een soort “pleintje” omgeven door rotswanden, waar tegen één van de rotswanden een houten pad hing. Daar ging ik nog even een kijkje op nemen: het werd een echte (donkere) slotcanyon “the galeries” genoemd. Wauw! Aan de andere kant verbreedde de vallei terug. We keerden op onze stappen terug en reden naar Bled. Korte stop bij het Grad (kasteel); vanop de hoge rots hadden we een mooi uitzicht op de zonsondergang en het meer. Avondeten weer in het restaurantje in Mlino, na een afwisselende dag waarop we trouwens bijna (behalve in Bled) geen andere toeristen tegenkwamen.

 

 

 

11 september – Wandelen in Triglav National Park

Vandaag trokken we dieper Triglav National Park in, meer bepaald naar het Meer van Bohinj. Een brede weg door een rivierdal bracht ons tot in het kleine dorpje Studor, bekend van de hooirekken uit de 18de en 19de eeuw. Fotomoment; ook bij de beschilderde bijenkasten trouwens. Het meer zagen we niet liggen: daar hing een echte wolk vlak boven, heel grappig. De typische Sloveense hooirekken zouden we deze reis nog heel vaak tegenkomen; de bijenkasten toch ook wel regelmatig. In Stara Fuzina parkeerden we onze auto op een bomvolle (slik – in het weekend trekken de Slovenen zelf massaal de natuur in) betaalparking; klaar voor de prachtige wandeling (12km) door het bos, langs de Mostnica kloof met duivelsbrug, een hoogvlakte (Voje vallei) met veel herfsttijloos, naar de waterval (Slap Mostnica). Onderweg dronken we nog een verschrikkelijk vieze Turkse koffie in een berghut. Vooral het stuk langs het riviertje vond ik prachtig! Een paar enge bruggetjes en helblauw water tussen de witte rosten! Zo mooi! Daar hebben we echt van genoten!

   

Langs het meer reden we verder – zo zagen we oa het kleine kerkje van St John the Baptist, zou erg mooi zijn maar helaas geen parking. Overal langs het meer was het superdruk: er werd gezwommen, gekayakt, gefietst,… We stopten wel even bij een ander klein kerkje. In Ucanc gingen we eten; later op de dag hoorden we van Belgen dat één van hen daar een voedselvergiftiging had opgedaan maar het viel behalve de trage bediening al bij al nog mee. We ontdekten hier ook dat limonade in Slovenië vers citroensap is, mmm. Met de kabelbaan (enorm steil, Roel besloot dan ook ter plekke nooit meer een kabelbaan te nemen) gingen we naar het ski station Vogel op 1540 m hoogte. Hier wilde ik graag naar Vratka pas gaan omdat daar edelweis zou groeien. Maar omdat de paden toch niet zo duidelijk aangegeven waren, er dreigende wolken rond de bergen hingen en het ski gebied hier en daar veel beschadigd had, ben ik na een uurtje teruggedraaid. Wel ging ik naar het uitkijkpunt Razgledna (1665 m). Van hierboven had je trouwens een ongelooflijk mooi uitzicht op de vallei met het 5 km lange blauwe meer, en de hoge toppen van meer dan 2000 m hoog die er rond oprijzen. De Triglav (hoogste berg Slovenië) was ook goed zichtbaar.

      

Weer naar beneden, reden we naar het vertrekpunt van de korte wandeling van meer dan 500 (!) trappen naar de Savica waterval. Deze is normaal 78 meter hoog, maar owv de droge zomer “liep” nu enkel het kleine linkse gedeeltje. Toch een mooie plek, met het prachtig gekleurde water. Terug langs het meer gereden en foto moment bij Ribcev Laz bij de “Zlatorog” (gems met gouden hoorns, beschermer van het bergland). Op de terugweg aten we bij de vrolijke gedecoreerde gostilna “Maticek” in de buurt van Nomenje, onder de druiventrossen. We werden erg verwend door de uitbaatster die ons vol trots de verschillende Sloveense frisdranken (zoals “jupi”, en “cocta”) liet proeven, en veel verschillende vleessoorten. Na de pannekoeken als dessert zaten we dan ook propvol. Onze laatste avond in Bled gingen we ook nog even ontspannen in de jacuzzi.

 12 september - Steile wandelingen naar watervallen en koninginnenrit naar de mooie Soca-dal

  

Afscheid van Bled. Via de autostrade ging het tot voorbij Jesenice, om zo tot Mojstrana te gaan. Hier bezochten we een museum over bergbeklimmen, maar dat viel toch een beetje tegen (nogal warrig). We volgden de doodlopende weg in het Vrata dal verder. Meestal door het bos, omringd door hoge bergen en naast het (uiteraard!) blauwe riviertje. Halfweg kwamen we de Pericnik watervallen tegen. Mooi vanaf de weg maar we besloten het steile bospad naar de watervallen te volgen. En – tot mijn grote blijdschap! – je kon hier achter de waterval wandelen. Altijd een super ervaring, en het was best een indrukwekkende stroom die naar beneden kwam. Ikzelf ben ook nog het zeer steile pad verder gevolgd tot aan de het valpunt (bovenaan de klif, griezelig) van de 52 m hoge waterval, en onderaan de kleinere waterval (16m). Na een blik op de mooie rivier vervolgden we de weg tot aan het eindpunt (onverhard en smal). Hier maakten we nog een foto van de indrukwekkende noordwand van de Triglav (2864 m hoog, en staat zelfs op de Sloveense muntstukken).

  

We kochten onze picknick in de Mercator (zo noemen de meeste supermarkten in Slovenië), en vervolgden de brede vallei van de Sava rivier verder (kwamen nog een grappig ijzeren viaduct en bunkers tegen), tot in Gozd Martuljek. Hier wilden we de korte wandeling maken naar de Slap Martuljek, weer een waterval dus. Tot de eerste waterval zou niet ver en vlak zijn. Toch begon het bospad fel te stijgen. De normale wandelweg was afgesloten waardoor enkel de moeilijkere weg mogelijk was. Voorbij een gevaarsbordje besloot Roel alvast terug te wandelen. Ik moest helemaal dalen tot vanonder de 50 m hoge waterval. Spectaculair, met een paar leuke brugjes. Beneden was er een heuse canyon. Helaas kon ik de loop dus niet maken (het pad was weggespoeld) en moest via de steile weg terug. Best een vermoeiend tochtje dus.

    

We reden tot voorbij het kleine dorpje Podkoren, tot in het natuurgebied Zelenci. Eerst picknicken en dan gingen we op zoek naar de bron van de Sava (Izvir Save) rivier; dat was vlakbij. We moesten een paar weggetjes uitproberen, maar toen vonden we het heldere turquoise meertje dat de bron is (met kleine kratertjes in = de eigenlijke bronnetjes): helder water omzoomd met rietkragen en een uitkijktoren. Terug tot het ski-stadje Kranjska Gora. Hier trokken we weer recht het Triglav National Park in. Eerste stop was het meer Jezero Jazna; prachtig lichtblauw met eendjes en witte kiezelstranden. Eerst nood aan koffie, en net toen we ons op het overdekte terras geinstalleerd hadden begon het te gieten! Ik zag de rest van de dag al in het water vallen, maar gelukkig klaarde het weer toch nog op (het zou wel wat bewolkt blijven). We maakten een rondje rond het meer, prachtig gelegen tussen hoge bergen en ook weer beschermd door een Zlatorog-beeld.

 

Verder op weg richting Bovec, begonnen we aan de haarspeldbochten van de Vrsic pas: maar liefst 50 in totaal met uitzicht op toppen van meer dan 2000 m. Een sfeervolle stop onderweg was de Russische kapel: een houten kerkje ter nagedachtenis aan de honderden Russische krijgsgevangenen die in 1916 stierven bij de aanleg van de weg. Onderweg kwamen we trouwens nog meer begraafplaatsen tegen. Zo kwamen we – na de helft van het aantal haarspeldbochten - bij het hoogste punt op 1611m hoog. Hier liepen een aantal schapen rond, altijd plezant. We dronken iets, en begonnen aan de bochten naar beneden. Onderweg nog een mooi uitzichtpunt tegengekomen. Bij bocht 49 volgden we de zijweg, tot een cafétje (weer slechte koffie trouwens) waar de wandeling naar de bron van de Soca rivier (Izvir Soce) vertrekt. Ook weer een erg spectaculair pad; het laatste stuk moest je je vasthouden aan een stalen kabel, balancerend op de rotsen over een kloof. De eigenlijke bron stond droog, maar was toch een mooi plekje: mooi bemost en met cairns. Ik ontdekte wel dat de bron zich nu lager bevond en kon hier nog een kort pad naar toe volgen.

  

We bleven langs de Soca rivier rijden: wat een pracht! Niet alleen de fantastische uitzichten op de bergen maar nog meer die smaragd blauwe rivier. Hier en daar waren hangbruggen om de rivier over te steken. Dat hebben we natuurlijk een paar keer uitgeprobeerd en het was heel leuk naast de Soca te wandelen. En op twee plaatsen vonden we canyons van witte rotsen waar het blauwe water zich een weg tussen baant (Korita Soce). Adembenemend en voor mij de mooiste plekjes van de reis! Verder door mooie dorpjes (waar de auto achter ons nog een ongeluk had), valleien en vergezeld door een regenboog reden we naar ons hotel Pension Boka voorbij het dorpje Bovec. Een nieuw hotel, waar onze suite-kamer 4 bedden, veel ruimte, 3 grote ramen en een grote badkamer met jacuzzi bad, had. We aten in het hotel: heel goedkoop en daarom ook wel wat minder vers dan we gewoon waren, en veel irritante baby’s.

 13 september -  De Emerald Trail en touren door de wijnstreek

  

Voor we vertrokken vanaf ons hotel wandelden we even tot wat dichter bij de waterval waarnaar ons hotel genoemd was: Slap Boka. Toch vrij krachtig ondanks een bijna droog riviertje. En je zag er een regenboog in. Hierna trokken we verder, de Soca volgend richting Kobarid. Eerst naar het museum; we kwamen echter in de (uitgebreide) VVV terecht waar we dan maar een tasje koffie uit de automaat dronken. Daarna de straat over naar het vrij grote museum over de grote veldslag die hier in de 1917 bevochten werd (eerst een film en daarna de collectie stukken uit de oorlog). Best wel de moeite.

 Aansluitend hierop vertrokken we vanuit het museum voor de 5 km lange “Kobarid Historic Trail” wandeling. 5 km, dat doen we wel op een uurtje dachten wij. Mis, want het was meteen flink stijgen en dat zou zo meermaals het geval zijn. Eerst via een soort kruisweg omhoog tot de Antonius kerk, gebouwd op een trapsgewijs monument. Hier liggen meer dan 7000 (!) Italiaanse soldaten begraven. Een heel indrukwekkende plek, met een mooi uitzicht op het nu vredige landschap. Over een bospaadje (met veel cyclaampjes maar ook ruïnes) ging het  richting Tonocov Grad. Op deze rotsige berg waren ruïnes van de 4de- 6de eeuw met veel uitleg, en ik zag een bruine slang. Daarna schrokken we want door het bos ging het bijna recht naar beneden door een soort van bunkers. Waar we de weg kruisten, nam Roel alvast de gewone weg terug naar het centrum. Ik ging bijna nog steiler naar beneden door loopgraven (spectaculair) tot bij de nog spectaculairdere hangbrug over de Soca. Prachtig weer die blauwe rivier met de witte rotsen!

    

 

Door het bos ging ik daarna verder, op het einde erg leuk met smalle balken over de rivier en kleine padjes, over een houten looppad tegen de rots. Hoekje om kwam ik plots in een soort grot, waarin de 15 m hoge waterval in een blauwe poel terecht kwam. Wauw! Ik heb al veel watervallen gezien, maar deze – de Slap Kozjak - is toch de mooiste! Via een (gelukkig vlak) pad langs de mooie Soca (ik blijf het maar zeggen maar ik vond deze rivier echt zo, tja, mooi!), door een weiland (met geschilderde bijenkasten) en over de Napoleon Bridge kwam ik na deze vermoeiende warme wandeling weer in Kobarid terecht. Tijd voor de lunch, deze keer in een snackbar op de marktplaats van Kobarid (de winnaar van de prijs voor slechtste eten van de reis).

  

Via de Soca (vandaar de naam van deze autoroute, de “Emerald Trail”) naar het volgende stadje dat was Tolmin, waar we meteen via kleine wegen op zoek gingen naar de Tolmin Gorges. Dit is trouwens het laagste punt van het Triglav National Park. Dit was voor mij weer één van de toppers van reis! Eigenlijk spectaculairder dan Vintgar. Na afgedaald te zijn tot het blauwe riviertje, via een hangbruggetje de oversteek gemaakt te hebben, wandelden we op de bodem van een zeer diepe kloof, af en tot zelfs door een tunnel. Prachtig! Op het einde kon je hier een thermale bron zien en hoorden we plots gedonder (dat bleek afkomstig van auto’s die over de Duivelsbrug  reden). Terug via hetzelfde padje, waar twee riviertje samenkwamen. In de andere richting kwam je weer bij een diepe kloof met enge uitkijkplatformpjes. Verder steil omhoog door het bos, tot een grotingang en dan via een smalle autoweg en over de “duivelsbrug” terug. Ik wilde graag ook nog met de auto naar de Javorca kapel. Maar de smalle onverharde eenrichtingsweg langs een ravijn was er toch wat te veel aan, en zijn we na een stuk al teruggedraaid.

     

Het was al bijna avond, en met nog een eind te rijden volgden we de Soca rivier via Kanal (heel mooie plek met die gekleurde huisjes). In Plave draaiden we een smallere bergweg op, om nog een tour te maken door de wijnstreek “Goriska Brda”. Een heel andere landschap: lieflijke heuvels, met er boven op dorpjes en wijngaarden op de hellingen. Veel foto’s gemaakt hier. We reden tot het pittoreske Smartno, waar we ook nog op een uitkijktoren klommen. Enkele kilometers door Italië, kwamen we bij de grote stad Nova Gorcia. Zo kwamen we in een andere wijnstreek, even pittoresk, de Vipavska Dolina. We reden via Dornberk over kleinere wegen via het bekende Stanjel “parel van de karststreek”. We zagen vaak gekke wijnstokken, die als een dakje geleid werden. En de oogst was bezig: hier en daar zagen we nog druiven hangen. Onderweg aten we in een een Gostilna (“Na Placu”) in het kleine dorpje Kazlj, waar we als enige gasten weer erg verwend werden met een “welcome of the kitchen” hapje en likeurtjes achteraf.

 

In het donker reden we verder, gelukkig over de autostrade, langs de grote haven van Koper en de Adriatische Zee tot in het levendige Portoroz. Ons hotel (klein naar Portoroz normen) Hotel Marko (voor drie nachten deze keer) was meteen gevonden. Sfeervol hotel, met voortuin met fontein, en schattige balkonnetjes. We maakten nog een wandeling over de promenade van Portoroz en dronken nog iets op een terrasje (de verdachte man daar bleek gelukkig gewoon enkel gratis naar het voetbal op tv te willen kijken – de volgende avond stond hij er weer).

 

14 september – Wandelen langs de zee naar het middeleeuwse Piran

  

Een klein beetje langer geslapen dan gewoonlijk. Na het lekkere ontbijtbuffet wandelden we door Portoroz. Eerste doel: een apotheek om onze voorraad Compeed aan te vullen (hard nodig!). In een soort kruidenierswinkel kochten we wat te drinken, en wandelden verder langs de zee, terug voorbij het hotel. In Slovenië hebben we geen stranden gezien, maar ons wel verbaasd over mensen die schijnbaar met grootste plezier op een stuk beton liggen of op de rotsige zeebodem stappen. Het water was weer opvallend helder en mooi blauw. We zagen ook verschillende spectaculaire kwallen, en vele visjes. Via een best wel vermoeiende wandeling (waarbij we op een gegeven moment gewoon via de lift van het Bernardin hotel terug tot bij de zee geraakte) kwamen we bij het stadje Piran. Piran zou het mooiste plekje aan de Sloveense kust (“Istrië”) zijn. Het middeleeuws uitziende (en trouwens ook middeleeuws ruikende) stadje ligt op een smalle landtong, en staat vol oude kleurrijke huizen. En met de campenilla-achtige toren lijkt het wel een klein beetje op Venetië.

   

Eerst langs het haventje, waar het museum dat ik graag wilde bezoeken helaas gesloten was. Zo kwamen we al meteen op het bekende Tartini plein. We klommen via een steil smal straatje (wat een hel moet het zijn om hier te wonen!) tot bovenop de heuvel, en daalden af via een pad langs de zee, tot de baai van Fiesa. (paar keer flink geschrokken van de naturisten die het hier blijkbaar heel plezant vinden) Hier was het lunchtijd op een terrasje met zicht op zee. Via het zelfde wandelpad stegen we dit keer weer tot Piran, tot aan de Georgiuskathedraal die boven op de heuvel boven Piran uittroont (wat een uitzicht). Helaas was de toren gesloten, maar het museumpje bij de mooie kerk maakte dat wel voor een heel stuk goed. Opvallend: we waren hier zoals vaak in Slovenië helemaal alleen!

    

We slenterden door de smalle straatjes van Piran en keken onze ogen uit naar de kleuren, de waslijnen, de bogen waar we onder door liepen,… alles staat hier zo dicht op elkaar en zelfs de grote straatstenen leken zo uit de Middeleeuwen te komen. Zo kwamen we bij de Punta (soort vuurtoren) op het uiteinde van het schiereiland. Veel terrasjes hier en wij kozen er iets Italiaans- achtig uit (“Punta”) waar we erg verrast waren door de kunstwerkjes die ze hier van onze ijsjes (vooral van Roel’s kiwi-beker) maakten! En dat met zicht op zee en de vuurtoren, super gewoon! Wel niet over de witte rotsblokken aan de zee kijken, want daar zaten de naturisten verstopt. Via de talrijke restaurantjes kwamen we weer bij het Tartini plein. Piran is erg sfeervol, maar we vonden Portoroz wel een betere overnachtingsplaats.  Ondertussen waren we best wel moe geworden van het wandelen maar ook van de hitte (+35°), dus namen we de bus terug tot Portoroz.

 

Eigenlijk wilden we nog een boottocht maken, maar blijkbaar was dit toch niet het toeristische topseizoen. We wandelden nochtans helemaal tot de haven aan de andere kant van de baai van Portoroz maar helaas. En we vonden een supercoole coctailbar waar we in heerlijke ligzetels van een coctail genoten. Terug naar het hotel om wat te bekomen van de warmte en lekker op ons supergezellige balkon te zitten (tijd voor een spelletje mens-erger-je-niet). En ’s avonds had ik grote zin in pizza, maar dat is geen probleem in Portoroz. We wandelden heel de dijk nog eens af (mooie lichtjes en vaak indrukwekkende hotelgebouwen) en sloten de avond af met lekkere koffies op een terrasje.

   

15 september – Een dag vol afwisseling in de kust- en de karststreek

 

Genoeg geluierd, tijd om nog wat meer van Slovenië te zien. Vanaf het hotel was het nog geen 10 minuutjes rijden naar onze eerste bestemming: de zoutpannes van Secovlje. Hier wordt al eeuwenlang zout gewonnen, in rechthoekige vakken worden de kristallen gekweekt. Eerst gingen we naar de ingang bij “Lera”, waar we via een weg langs fabriekje dat nog in gebruik was (op de ouderwetse manier) en via de zoutbekkens naar het moderne museum, met uitkijkplatform op het dak, wandelden. In het museum leerden we dat het vooral een soort algenslib “petola” is dat de zoutvorming in gang zet. Het was een bijzonder zicht, die grote vlakte met allemaal rechthoekjes, en de hoopjes zout! Met de auto reden we om het gebied heen. Tot voorbij de Kroatische grens: jaja kunnen we zeggen dat we daar toch ook geweest zijn! Na 5 minuutjes keerden we om; het bleek dat de tweede ingang zich bevond tussen de Sloveense en de Kroatische grenspost in.

  

Zo vonden we wel de afslag naar de ingang van het “Fontanigge” gebied van Secovlje. Een dirt road door een riet-rimboe bracht ons tot een parking. Ik wilde wandelen; de weg lag immers niet zo goed. Maar pfff, wat was het alweer warm. We namen dus toch maar de auto voor een trage rit met mooie uitzichten op dit zoutwinningsgebied (mooier dan bij Lera) met sfeervolle ruinetjes. Zo kwamen we bij een (zeer) klein museum over de zoutwinning, waar we ook een zak zout meekregen. We vonden dit allebei een intrigerend bezoek; nog nooit gezien zoiets. Zout is wat deze streek ooit rijk maakte…

    

 

Via kleine wegen, soms behoorlijk smal en steil, reden we langs kleine dorpjes van Sloveens Istrië. We zagen olijfbomen en wijngaarden op de heuvels. In het dorpje Korte gingen we op zoek naar de burcht Kastellir; via een korte maar vermoeiende (warm!) wandeling kwamen we bij vage ruines boven op de berg. We kwamen dan maar tot de conclusie dat dit toch wel degelijk Kastellir was. Tijd voor het middageten; in een gostlina is dat altijd het lekkerst dus kozen we hiervoor het terras van de Gostilna Korte uit. Het was weerom uitstekend! Verder maar weer langs de hele smalle weggetjes; we zagen dat ook hier vaak de dorpen bovenop de heuvels liggen. Heel bijzonder; het lijkt ons niet echt praktisch. De chauffeur was toch wel blij toen we op een bredere weg terecht kwamen.

 Zo kwamen we bij het kerkje van Hrastovlje. Wat hier ook opviel was de witte, quasi loodrechte rots(kalksteen?)wand die hier oprijst: de grens van de karststreek! Het grijze stenen kerkje, met een muur er rond, lag op een heuveltje. Binnenin is het in 1490 helemaal beschilderd: allemaal verhaaltjes uit de bijbel en dergelijke maar op een erg grappige cartoon manier. Op een bandje werd de uitleg gespeeld. Het bekendste is de “dodendans”. Ik had erg naar dit bezoek uitgekeken en vond het absoluut de moeite! Bij de parking zagen we hier ook nog vijgenbomen groeien. Roel zijn broeksriem schoot er van kapot.

     

Op naar een volgende plek in de karststreek. Via de autostrade reden we in een half uurtje tot de grot Skocjanske Jame. We hadden nog een klein uurtje de tijd tot ons geleid bezoek begon, maar rond de grot hebben ze een heel “country park” uitgebouwd waar best wel wat te doen is. Via een wandelroute kwamen we in drie kleine huisjes terecht, waar telkens een tentoonstelling over iets anders was. In één van de huisjes gaf een enthoesiaste medewerker ons uitleg over de grottenolm. Blijkbaar is daar enkele jaren terug ook een zwarte variant van ontdekt. Snel terug naar het bezoekerscentrum, want onze rondleiding begon. Een hele grote groep mensen werd aan de ingang opgedeeld in twee taalgroepen; wij sloten bij de Engelstalige groep aan voor een rondleiding van maar liefst 2u.

 

De grot had twee delen: het eerste gedeelte is de “droge grot”. Een mooie druipsteengrot, zoals er vele zijn. Wel opvallend grote zalen, en vaak grote formaties. En zo kwamen we bij het tweede gedeelte en de reden waarom deze grot Unesco-werelderfgoed is: een spectaculaire rivier canyon in een grote hal. Via een klein paadje wandel je tientallen meters boven het water. Het was een prachtig zicht: het pas was aangegeven met kleine lichtjes die je van ver zag. We moesten ook over een bruggetje 45m hoog het riviertje oversteken. Zeer spectaculair!!! En zo kwamen we na een tijdje terecht bij de natuurlijke ingang van de grot (waar ze ook ontdekt is); een heel groot gat in rots waar ooit een ander stuk van de grot instortte en nu een flinke ravijn. We konden te voet of via een kabellift: dat was snel gekozen, maar voor we bij de lift kwamen, moesten we toch nog een pittig en spectaculair (uitzichten!) stukje stijgen. Nog bij vertellen dat vorig jaar in september de grot volledig onder water stond; wat een verschil met ons bezoek waarbij het waterniveau extreem laag was!

 Tijd om terug richting hotel te rijden. Maar ik wilde graag nog een ommetje maken langs Lipica, bekend als stoeterij waarvan de lippizaners afkomstig zijn. Mooie weiden omgeven door een prachtig wit hekwerk, en een groot hotel. Maar geen paarden te zien. Na flink zoekwerk konden we er toch nog enkele ontdekken vlak bij het hek omheen de stoeterij. Check!  De GPS stuurde ons via Italië terug naar de kust. Weer langs de grote haven van Koper, kozen we voor een avondje in het kuststadje Izola. We parkeerden bij de marina; de zonsondergang was prachtig! Izola is niet groot, maar gezellig om een avondje rond te slenteren. Het leek op Piran met de gekleurde huisjes, maar kleiner en wat nieuwer/opgekuister. We  kozen voor een pizza. Dessert is in Slovenië niet moeilijk: overal kan je voor bijna geen geld heerlijke ijsjes kopen. Mmmm… En dat mocht ook wel naar deze weer heel warme dag!

  

16 september – Ontdekking van de grottenolm, een prachtige vallei en gezellig Ljubljana

Afscheid van de Adriatische zee en op naar ons volgende hotel! Weer via Koper – de autoweg loopt vlak langs de zee – en dan over de autostrade tot de tourist hot spot van Slovenië: Postonja. De grotten hier zijn wereldberoemd, en dat zagen we meteen: grote betaalparking en autobussen. Daarom lieten we bewust (Roel had ze toch al eens ooit bezocht) de grotten (waarvan ik echt wel geloof dat ze magnifiek mooi zijn) links liggen, en we kochten (de dame achter de kassa begreep er niets van) enkel kaartjes voor het Proteus Vivarium. Dat hebben we ons niet beklaagd – het was super!!! We hadden heel dit stukje van de grot (zonder gids) voor ons alleen. Er stonden veel bordjes met info, en aquaria met beestjes die in de grotten leven (van pissebedden, tot visjes en slakjes). En dat tussen de stalagtieten en stalagmieten! Met de zaklamp die we meegekregen hadden konden we in de aquaria schijnen. En ook zaten hier twee grote aquaria met de fascinerende “proteus” of “human fish” of zeg maar grottenolm. Wat een geweldig beest! Best wel lang, helemaal wit, zonder ogen en ze waren best wel levendig. Ook bijzonder was de graffiti: handtekeningen van bezoekers uit de 19de eeuw (en zelfs van de 13de eeuw).

    

 

Bij Postonja hebben ze overigens ook wel hun best gedaan een soort van toeristenstraatje aan te leggen bij de grotingang. Er is ook een waterrad. Toen de drukte er nog moest losbarsten, reden wij al weer naar onze volgende bestemming. Helaas hebben we wel het bezoekje aan Predjamski Grad (kasteel) moeten schrappen (jammer, het zag er spectaculair uit maar soms moet je kiezen). Ik had de dag er voor een folder gevonden van Krizna Jame grot (had ook al gebeld voor de zekerheid) en daar moesten we toch nog een klein uurtje naar toe rijden. Een mooie rit; ik was weer verbaasd over de schoonheid van de glooiende Sloveense heuvels. Een dicht bos in (Slovenië is heel dicht bebost) over een onverharde weg, waren we er net op tijd voor de tour van 11u. Slechts 6 bezoekers en de gids. We kregen botten en een grappige zaklamp (leek wat op die van op onze Amerika reis in maart). En dan waren we klaar voor het bezoek aan deze onverlichte (!) grot die mijn lonely planet “one of the most magnificent water caves in the world” noemt, omdat er allemaal meertjes in de grot zijn. En zeer veel dierenleven volgens de folder!

 Omdat wij maar een uurtje hadden en geen uitrusting gingen wij natuurlijk niet zo veel van die mooie meren zien, maar toch: ik had dit avontuur niet willen missen. De gids vertelde veel boeiende dingen - en nee, niet het cliche verhaal van hoe druipstenen ontstaan maar echt interessante dingen. We zagen potscherven van 5000 jaar oud helemaal in de kalksteen vast”gegrot”. We zagen fossiele beenderen van holenberen. We zagen kleine beestjes en platwormen die in het water leefden. Veel plekken stonden droog owv de warme zomer, maar op het einde van onze wandeling maakten we met een mini rubber bootje toch een klein rondje op het meertje daar. In het pikkedonker. En dan terug via dezelfde weg. De grot ligt in een groot bos; de gids raadde ons aan om ’s avonds terug te komen met een blikje vis, dat tegen een boom te smeren en te wachten. Dan zouden we zeker bruine beren zien! Helaas hebben we dat niet geprobeerd (hotel te ver weg van hier). En ze eten in deze streek ook relmuizen. Alleszins, dit was een streek die ik niet echt op ons programma gezet had en dat bleek volledig onterecht!

  

Een beetje verder lag Sneznik Grad; een wit 16de eeuws kasteel. Maar eerst onze honger stillen op de meest sfeervolle picknick plek van de reis (gevonden door Roel): op een bankje bij het kerkje van Pudob. Bij het kasteel hadden we weer geluk; de rondleiding (samen met een ander koppel) begon net. In het kasteel vind je nog het huishouden terug van een 19de eeuwse familie die hier kwam als buitenverblijf/voor de jacht. De gids wist echt alle details. Ze hadden hier een ingenieus verwarmingssysteem en een ook al een soort waterleiding. We zagen ook weer die leuke keramieken stoven. De ingang van het kasteel was mooi, met een ophaalbrug en grote bomen voor het kasteel. Het jachtmuseum lieten we voor wat het was.  Via groene wegen reden we terug richting autostrade, volop genietend van het schilderachtige landschap. We weken nog even van ons pad af voor een bezoekje aan een ander Sloveens natuurwonder: Lake Cerknica (Cerknisko Jezero). In andere seizoenen is hier een heel groot meer; dat verdwijnt echter door de karstverschijnselen. Wij zagen dus de Polje die dan achterblijft: een grote groene wei. Ik ging nog even een kijkje nemen bij het kleine poeltje dat achtergebleven was, vol visjes, kikkers en waterlelies. Wat verder nog een koffie (slechte koffie) en tankstop; en dan hop, terug de autostrade op!

   

Al zoveel gezien vandaag, maar toch nog op weg naar een volgende verrassing! De Sloveense hoofdstad Ljubljana, daar hadden we toch niet zo’n hoge verwachtingen van, maar waren wij even goed mis!!! Via drukker wordend verkeer stuurde onze GPS ons moeiteloos naar de ondergrondse parking onder Trg (Trog = plein) Republike. Via Plecnikov Trg kwamen we op het nog mooiere grote groene Kongresni Trg plein, omzoomd door de allermooiste kleurrijke gebouwen. Schilder Roel deed hier volop inspiratie op. Via een klein straatje kwamen we wij de de groene rivier en ploften we meteen neer op de zeteltjes van een terrasje van bar “Soltitudo”. Hehe, heerlijk, lekker in het zonnetje! We wandelden via het riviertje tot Presernov Trg; een prachtig plein! Al vond Roel het verhaaltje van France en Julija maar belachelijk; gelukkig hadden ze hier wel een apotheek voor de Compeed die we weer dringend nodig hadden. Ljubljana is de stad van de architect Pleznik; dat zagen we bvb. aan de Tromostovje (drie bruggen) met prachtige witte zuiltjes (en gelukkig WC’s) en de zuilengalerij naast de rivier. De dagelijkse markt was helaas al opgeruimd, maar wij kozen nog voor een boottochtje op de rivier. Dat viel wel een beetje tegen, want hoewel het relax was om op het water te zijn, en de talrijke kayakers te bekijken was de luidruchtige, bier drinkende bemanning van de boot een sfeerverpester.

  

Na een uurtje stonden we (gelukkig) weer veilig aan de kant. Via een ijzeren brugje (vol slotjes, een nieuwe trend om dit op te hangen) kwamen we bij de drakenbrug (Zmajski Most) – de draken zijn het symbool van Ljubljana. Via de “finicular” kabel lift gingen we omhoog tot Ljubljanski Grad (kasteel) op de heuvel top. Een oude burcht, maar jammer genoeg veel te modern gerestaureerd. Vanop de uitzichttoren had je wel een subliem uitzicht op de stad. Voor het virtual museum moesten we een 3D-bril op om naar een film over de geschiedenis van het land en de stad te kijken. Er was ook nog een 15de eeuwse kapel, en we liepen over de gerestaureerde muren. Een echt kasteel kon je dit toch niet noemen. Weer naar beneden (met de finicular) kwamen we in de oude smalle straatjes terecht. Heel erg mooi om in rond te dwalen. De straten Mestni Trg en Stari Trg waren sfeervol en supergezellig: winkeltjes, terrasjes,… Op vele van de pastelkleurige huizen zaten prachtige details.

Voor het avondeten kozen we voor een restaurantje in Gornji Trg; het noemde “Spajza”. Het was er druk, en ik kom er net achter waarom: het staat op tripadvisor op de eerste plaats. Iedereen zat op het drukke terras; wij hadden binnen in een super gezellig interieur (rode kleuren en een plafondschildering) het rijk voor ons alleen. Het eten was inderdaad lekker, al vonden we de bediening wat minder. Ik proefde hier ook een glaasje Sloveense wijn uit Vipava; lekker wijntje! Ondertussen was het volledig donker en wat is Ljubljana mooi verlicht! (mooier dan bvb. Salzburg later op de reis). Veel vrolijkheid en sfeer op straat. Volle terrasjes, straatmuzikanten, … Heerlijk! De cobbler bridge (Cevljarski Most) was een gezellig middelpunt van al die gezelligheid; prachtig verlichte fontein daar in de buurt ook! In de desertenbar “Lolita” (ook naast het water, met zicht op de drie bruggen) wilden we graag iets kiezen van de verleidelijk lange kaart; bleek de keuze toch veel beperkter en kregen we een belachelijk klein dessertje, maar wel lekker! Op het Kongresni Trg was een goed optreden waar we ook nog even van meegenoten. Onze conclusie na een avondje Ljubljana: wat een stad(je)! Levenslustig, netjes, zeer mooi en gemoedelijk! De leukste Europese hoofdstad?

 En dan was het tijd om naar ons hotel (voor twee nachten te gaan) in de voorstad Domzale. Tom Tom bracht ons in 20 minuutjes naar het Ambient Hotel. Een heel nieuw hotel, waar we een ruime comfort kamer hadden. Met grappige groene gordijnen aan het goede bed. Goed geslapen na een top vakantie dag!

  

17 september – Hoogvlaktes met koeien en stadjes vol kleur

 Weekend; dat betekent dat alle Slovenen de steden achter zich laten en gaan sporten in de natuur. Dat zouden we die dag merken. Na een snel ontbijt (dat een beetje tegenviel) vertrokken we naar het begin van de kabelbaan naar Velika Planina ten noorden van Kamnik. Roel bleef wijselijk - nog niet bekomen van Vogel - beneden. Om 9 u ging ik naar boven. Steil naar  boven tot 1419m, zonder steunpunten, met een fantastisch uitzicht op de omringende hoge bergen. Daarna de stoeltjeslift; bij Vogel had ik gemerkt dat je daar toch flink wat klimmen mee kon besparen. En het was geweldig plezant om te kijken op mensen die verder naar boven zwoegden. Zo was ik al op meer dan 1600m. Eerst even een uitzichtpunt op en daarna de heuvel over, waar ik de houten herdershutjes al zag liggen. Veel meer dan ik verwachtte eigenlijk. Die houten hutjes met lage gekke daken zijn karakteristiek voor hier; de herders wonen hier in de zomer. De koeien zag ik niet dus ik vroeg mij af of het “seizoen” al voorbij was.

  

Dwars door de groene weiden ging ik eerst naar een klein houten kerkje “Cerkev Sv Marije Snezne” boven op de heuvel. Er waren hier overal super veel wandelaars, die blijkbaar te voet naar boven gewandeld waren en niet met de kabelbaan kwamen. En echte authentieke herders kwam ik toch niet veel tegen. Het enige nog originele hutje “Preskar’s hut” was helaas nog niet open. Daarna ging ik een koffie drinken in één van de hutjes. De wegwijzers volgend tot Mala Planina wandelde ik tot Domalski Dom (een berghut); en daarna terug langs de andere kant van de hutjes waar ik eerder was, en aha daar waren de koeien met bellen! Zo kwam ik uit bij de Zeleni Rob (berghut) en haastte ik mij naar de stoeltjeslift (dat was totaal niet nodig geweest want het was zo druk dat de openingstijden niet meer golden). Lekker uitrusten op de stoeltjeslift en goed kijken naar de bergen (sommige weer +2000 m) rondom; en dan de kabelbaan naar beneden waar Roel al stond te wachten. Die had zich blijkbaar goed vermaakt en deugenietenstreken uitgehaald in Kamnik waar een rommelmarkt was.

    

 

We reden even door tot Kamniska Bistrice, vertrekpunt van wandelingen. Druk druk druk! Slovenen zijn echt zo’n actieve mensen, ongelooflijk! Roel had in Kamnik een uitgebreide lekkere picknick gekocht, die we opaten bij een (kunstmatige) waterval. Daarna op weg naar het stadje Kranj; de vierde grootste stad van Slovenië. Onderweg ging het door glooiende heuvels (we liepen de alpen van Kamnik weer achter ons), met de karakteristieke hooirekken, mooie kerkjes en kapelletjes vol mooie schilderingen. Af en toe maakten we natuurlijk een stop bij al dat moois! In het centrum van Kranj eerst een terrasje doen op Maistrov Trg: voor de dorst en voor de WC.

   

We wandelden heel de verkeersvrije straat, die het oude hart van de stad vormt, af. Jammer genoeg was het er erg doods (ah ja, al die Slovenen waren in de natuurgebieden).  De touristische dienst was open, en we bezochten het (vrij kleine maar afwisselende) Gorejska Museum: een streekmuseum, waar we ook de Slavische graven zagen uit de 10de eeuw. Verder vielen ook de paleontologische afdeling en de verzameling koffers op. De grote kerk was helaas gesloten, want scheen erg mooi te zijn. De “Rosary church” (Rozenvenska Cerkev) was erg mooi gelegen; hier vonden we trappen en een fontein van de Plecnik die Ljubljana zo mooi maakte. Vanaf hier baanden we ons via wegenwerken een weg tot de Plague Church. Op de terugweg namen we ook nog een kijkje op de brug over de Kokra rivier; hier was een wandeling in de canyon mogelijk, maar daarvoor vonden we het te warm. Toen we met de auto uit Kranj wegreden, hadden we vanop de weg een prachtig zicht op de oude huizen van de stad.

  

Op weg naar het “mooiste en oudste stadje van Slovenië” kwamen we via hele smalle wegen in het dorpje Crngrob. De kerk hier (wit en boven op een heuvel, wat had je gedacht) is bekend voor de 15de eeuwse fresco onder het portaal. Er was iets te doen in de kerk, en heel het voorportaal stond vol hapjes, dus echt goed konden we wel niet kijken; beetje pech dus! Via nog een kapelletjes-foto-stop kwamen we zo bij het 1000 jaar oude Skofja Loka dat al van ver mooi lag te wezen! We vonden een plekje voor onze auto bij het busstation, en via een bruggetje (met mooi uitzicht op het “Kapuzinski Most” bruggetje – de rivier omzoomd met oude huizen) kwamen we in het oude stadscentrum. Via een kerkplein kwamen we bij Mestni Trg: prachtig gewoon! 16de eeuwse huizen met de mooiste pastelkleuren en vele details. Een oude zuil en een grote lindeboom maakten het plaatje compleet.

   

   

Via een smal en stijl wandelpad wandelden we (voorafgegaan door een grappig simpel manneke) omhoog tot het kasteel Loski Grad. We waren weer de enigen in het hele uitgebreide museum. Dat was echt de moeite; over de geschiedenis van de stad, vondsten uit de oudheid, meubels, een gedeelte over beroepen,… In een bepaald stuk moest je sloefjes aan om over het glas te lopen met daaronder oude funderingen. Er was een kapel, en ook nog een goed beveiligde tentoonstelling van een portretschilder. Via een ander pad gingen we naar beneden en wandelden we nog in een andere zeer oude straat, Spodnji Trg; hier woorden de armere mensen vroeger. Zo kwamen we terug in Mestni Trg waar we bij Homan, bij de grote linde, nog een heerlijk schepijsje kochten…. Via het schattige “Kapuzinski Most” bruggetje verlieten we Skofja Loka dat we meer dan de moeite vonden! Buiten de stad, maakten we nog een stop bij het kerkje van Suha; dat was jammer genoeg al gesloten en dit werd dan ook een compeed-plak-stop.

  

En dan, moesten we niet lang twijfelen waar we onze laatste avond in Slovenië wilden doorbrengen: in Ljubljana natuurlijk! Weer naar onze “vaste” parkeerplek; en de weg kenden we natuurlijk. Aan de rivieroevers deden we nog een terrasje, voor we op zoek gingen naar een restaurant. We wandelden de rivier af tot in het stadsdeel Krakovo, waar een klein ingedamd kanaaltje was. Gezellig hier! We wandelden tot Trnovo Most, een brug van jawel, Plecnik! Hier stond een mooie kerk; we wandelden terug richting centrum Ljubljana door een stadsdeel met lagere huisjes met tuintjes. Nog altijd geen leuk eetadresje gevonden kwamen we terecht in het hart van de oude stad, in Stari Trg. Geen hoge verwachtingen van een restaurant op zo’n toeristische hotspot, zetten we ons toch neer op het terras van “Valvasor”. En dat hebben we ons niet beklaagd! Super service, lekker eten! En ja, ook dit restaurant staat hoog op Tripadvisor, op plek 3; dus op puur geluk zijn wij in Ljubljana bij twee van de lekkerste restaurants gaan eten! We aten zelfs 3 gangen, zo lekker was het! En daarna wandelden we nog wat rond door de mooie stad. Daarna terug op naar ons hotel in Domzale.

  

18 september – Van Slovenië naar Oostenrijk over hoge bergen

  

Laatste keer wakker worden in Slovenië; en via een omweg naar Oostenrijk. Vanaf Kamnik reden we over een soort van pas richting Gornji Grad; al een erg mooie route. Vanaf Radmirje kwamen we in het Savina-dal terecht. De vallei werd smaller terwijl we de rivier volgden. Ze hebben hier ook ergens een ijsgrot, snezna jame. Een ijsgrot zouden we graag ooit eens bezoeken… Maar het weggetje hier er naar toe leek ons heel ver (en smal, en langs afgronden), en we wisten ook niet of de grot open was. Dus draaiden we maar terug. Hier zagen we ook zo van die aparte afleidingskanaaltjes van het beekje, zoals we ook in Kropa zagen. Verder een stop langs de rivier, en een koffie stop, in de buurt van Luce, bij de rotsformatie Needle. Robanov Kot draaiden we een stukje in, maar ook hier keerden we op onze stappen terug. (op de route die we vandaag reden kan je je makkelijk een dag vermaken, maar wij moesten nog een heel eind).

   

Zo kwamen we bij het tolhokje (!) van Logarska Dolina. Dit zou één van de mooiste valleien van Slovenië zijn! Een lieflijke vallei, met veel groene weilanden, wat boerderijen en bossen, omgeven door hoge bergen. Inderdaad heel mooi, maar ja, dat is heel dit land! De hele vallei is zo’n 8 km lang, en die dag ook behoorlijk druk met sportende Slovenen. Wij stopten al bijna meteen (en hier waren we helemaal alleen) voor een korte maar supermooie wandeling: een weilandje, een zeer heldere beek, met galloways in, een klein kronkelpaadje er vlak naast door de bosrand, tot aan de bron van de beek (Izvir Crne). Dit is een karstbron: het is het water van de waterval op het einde vallei die hier boven komt! Bijzonder dus!; Met de galloways er bij was het een prachtig plekje! De koeien waren heel geinteresseerd in ons.

 

We reden verder door de vallei, en zagen allerlei leuke boerderij dieren. Een eind door het bos, kwamen we bij de drukke parking van de Rinka waterval. Een laatste typisch Sloveense wandeling: steil omhoog op losse keien, kwamen we bij deze mooie smalle en hoge (90m) waterval! Er was hier ook een heel grappige berghut gebouwd. Op de terugweg zagen we ook dat het gerief van een groep wandelaars met een kabel vervoerd werd: gek! Terug door de vallei, en daarna draaiden we de weg in naar een andere vallei: Matkov Kot. Ook weer een 6-tal kilometer. De weg werd onverhard, en ging steil omhoog na een tijd, met wat haarspeldbochten. Toch wel spectaculair, met indrukwekkende uitzichten. Ik was wel blij toen ik bij een lokale boerderij (met schattige ezeltjes) kon navragen dat we wel degelijk goedzaten! En inderdaad, na een paar spannende kilometers kwamen we weer op de gewone weg uit die trouwens ook heel smal was.

  

Via deze smalle weg passeerden we de grens met Oostenrijk (grensovergang van Paultitschsattel op meer dan 1300 m hoog). Good bye mooi Slovenië!!! Via smalle spectaculaire bergwegen reden we door Oostenrijk – onderweg was er trouwens een ongeluk gebeurd met een motor! Zo kwamen we bij Bad Eisenkappel. Ondertussen grote honger, vonden we daar een terrasje met hele onhandige bediening voor een pizza. Verder in Oostenrijk rijdend (eerst via Klagenfurt en dan weer via de tolweg met tunnels van de heenreis) draaide het weer plots om: gietende regen! Heel erg jammer natuurlijk, na zoveel mooi weer!

  

Zo kwamen we in de vroege avond, na toch een flinke rit, in een nat Salzburg toe. We parkeerden in de Altstadt garage, in de rots die op een heel grappige manier in Salzburg ligt (het kasteel ligt er o.a. op) en gingen te voet, gewapend met paraplu’s op weg naar ons hotel in de binnenstad (is een voetgangers zone). Ons hotel – Best Western Hotel Elefant - gelegen in een schattig straatje was snel gevonden, en we kregen een prachtige ouderwetse kamer in bordeaux en groen, inclusief een salonnetje en een ruime badkamer! Helemaal top dus! Daarna maakten we een wandeling door de stad, alvast langs de beroemde pleinen en straten op de oever. De mooiste plek vonden we de voormalige paarden-baden aan de Herbert-von-Karajan Platz. Maar we zagen ook de Waagplatz, Mozartplatz (inclusief standbeeld van Salzburg’s beroemde inwoner), Universitätsplatz,… In de Geteidegasse (de winkelstraat, en bekend van de gesmede uithangborden) kochten we de beroemde Mozartkugeln, maar bah, dat vonden we alle twee maar vies!

    

Op zoek naar een restaurant, dat was andere koek… Op zondagavond zijn blijkbaar vele restaurants dicht… Aan de andere kant van de rivier vonden we in de Linzer Gasse, nadat we al weggevlucht waren uit een Japans buffet, een restaurantje (“Stadtkrug”) dat nog open was, heel druk, maar het viel best mee. Na nog wat in de regen rondgeploeterd te hebben, bleken twee grote meeneemkoffies van de gele M de perfecte opwarmer na onze eerste verkenning van Salzburg! Salzburg is erg mooi, al misten wij de vrolijkheid en kleuren van Ljubljana, maar dat zal ook wel wat aan het weer gelegen hebben. En, hoe opvallend, de Oostenrijkers zijn veel minder vriendelijk dan de Slovenen. Maar het centrum van Salzburg is supergezellig om rond te lopen, en de weg vinden makkelijk. En één voordeeltje van zo’n regen avond: er was bijna niemand op straat!

  

19 september – Veel cultuur in nat Salzburg en terug naar huis!

  

Gelukkig zijn er in Salzburg veel binnenactiviteiten: perfect dus op deze regendag. Het ontbijt werd in het hotel opgediend in een prachtige zaal en was uitstekend! Daarna gingen we eerst onze spullen afzetten in de auto (joepie, weer langs de mooie paarden fontein!). Eerst namen we een kijkje in de mooie en grote Dom Sankt Rupert. Daarna naar de start van de kabelbaan. Met de Salzburg kaart konden we een hele dag gratis alles in Salzburg bezoeken, al was het een gedoe om ze te kunnen kopen bij de start van de kabelbaan. De kabelbaan bracht ons naar boven op de berg (ja, die berg waarin onze auto geparkeerd stond). Hier lag de mooie witte burcht Festung Hohensalzburg. Het bezoekje was echt de moeite waard want er was vanalles te doen. Een tour met audiogids waarbij de geschiedenis van de burcht (en van alle aartsbisschoppen die het hier voor het zeggen hadden) uitgelegd werd, over de borstwering en in de uitkijktoren (super mooi uitzicht in het rond! Salzburg is prachtig vanuit de hoogte) en langs het orgel de Stier. Verder waren er nog de sjieke kamers (o.a. eentje helemaal in het goud) van de bisschoppen, een historisch museum, militair museum, marionetten museum,… We sloten af met een koffie in een grappige middeleeuws aandoende cafetaria. Ook de buitenkant van de Festung vond ik trouwens erg sfeervol.

   

Terug beneden kwamen we op een ander prachtig plekje: Peter’s Friedhof: een enorm mooi kerkhof tegen de bergwand aan. Veel bloemen hier en grafkelders. Hoekje om was een waterrad en een ambachtelijke bakkerij waar je kon binnenloeren. Een erg leuke volgende binnenactiviteit was het Panorama Museum. Op het eerste zicht saai voor ons cultuurbarbaren, maar eigenlijk een pareltje. Hier was het enorme grote schilderij Salzburg Panorma in een ronde opgesteld, van de schilder Sattler (19de eeuw). Het Panorama heeft zelfs een heuze rondreis door Europa gemaakt. Superleuke details op dit prachtige schilderij; je kan er lang naar kijken! En rondom rond hingen nog een boel andere schilderijen, als het ware foto’s van overal in Europa. In de dom was nu ook het Dommuseum open, met een soort van rariteiten kabinet (verzameling van de bischoppen) en religieuze kunst.

  

Een bekende bezienswaardigheid in Salzburg is de Residenz; dat hebben we natuurlijk ook bezocht. Met een grappige audio guide (veel details in rap Nederlands) liepen we van kamer naar kamer: allemaal staatsie vertrekken van de prins-aartsbisschoppen uit de 16de-17de eeuw (troonzaal, witte zaal,…). De moeite! Door de kleine straatjes van Salzburg (met vaak van die galerieën die doorgangetjes vormden) liepen we weer langs ons hotel en de mooie en ondertussen erg drukke Geteidegasse. Salzburg is de stad van Mozart, dus ja het Geboortehuis van Mozart was een beetje een verplicht nummer. Eigenlijk best interessant, want zijn levensverhaal is best wel romantisch. Bij de drukke McDonalds (tja…) aten we een menutje op de trappen. Aan de andere kant van Salzburg bezochten we als laatste ook het Mozart Wohnhaus. Niet zo groot, maar met wat originele stukken en een duidelijke film. Vanop de brug over de rivier namen we afscheid van het mooie Salzburg met wat foto’s van de koepels, torentjes, rots met burcht op,… en niet te vergeten van de vele kleurrijke paraplu’s!

 En dan vatten we de rit naar huis aan: nog 900km! Start! We waren na een tiental minuutjes al de grens over (gelukkig maar, ons vignet was net verlopen) en reden in de gietende regen door Beieren. In de Alpen lag veel sneeuw, ook op lagere hoogtes, zagen we! Een klein beetje file en heel wat kilometers later klaarde het weer gelukkig langzaam aan op. Het was weer volop genieten van de prachtige Duitse landschappen onderweg. En uiteraard genoten we ook van de nodige koffietjes (in een tankstation zagen we ook iemand door een stoere undercover politieman oppakken, hihi) en van een toch wel lekker avondmaal. De laatste uurtjes reden we in het donker, en iets na middernacht reden we onze eigen oprit op. Einde van een leuke reis in een land dat mijn nochtans hoge verwachtingen zeker overtroffen heeft! We hebben 3.515km gereden.

   

Bijzonder:

 

-          Radjenska= spuitwater en Cocta= Roel’s nieuwe favoriete frisdrank. Onze light frisdranken hebben we wel gemist. En opgelet voor Turkse koffie!

-          “Eenvoudig” eten, met weinig of geen kruiden en bijna altijd vers. Lekkere eerlijke keuken. En lekkere ijsjes!

-          Slovenen zijn heel actief en sporten veel. Geen dikke Slovenen gezien! En in het weekend trekken ze allemaal de natuur in.

-          Wandelwegen zijn altijd aangeduid met een rood geschilderd cirkeltje. Vrij goed aangeduid maar de meest cruciale pijltjes missen soms wel helaas.

-          Steile bergpaden vol keien; onze voeten hebben het geweten. Lang leve Compeed!

 

-          Vaak verdachte witte papiertje in de bosranden en bermen.

-          Dorpjes met zeer smalle steile straten en huizen dicht op elkaar en tot tegen de weg.

-          Nieuwe vocabulaire: (dober) dan (dag), hvala (bedankt), grad (kasteel), korita (is kloof of zoiets), jame (grot), slap (waterval), pot (wandelpad), most (brug)

 

Slovenië is een enorm aangenaam land: alles in orde en goed geregeld, vrij lange openingstijden, vriendelijke mensen (zonder te overdrijven), moderne infrastructuur,… Wat een verschil met vele andere Europese landen!!!