reisverhalen van leen en roel deel 2

Terug naar SW USA! (maart 2011) - Road trip Californië - Nevada - Arizona

4496km rijden vanaf de Californische kust, door woestijnen, langs Las Vegas en vele westerndorpjes! 

 HOOGTEPUNTEN VAN ONZE REIS:

-          Na het miezerige België, genieten van de zon aan de kust

-          Speedboot tochtje in de baai van San Diego: adrenaline!

-          Dirt roads en bloemenpracht in het uitgestrekte Anza-Borrego

-          Op tocht met een echte jeep in Death Valley

-          Hier droomde ik van: de Racetrack en het ophangen van ons theeketeltje!

-          Lachen op Fremont Street in Las Vegas. Zoveel sfeer daar!

-           Bijzondere logeerervaringen: motels, het sjieke las Vegas, western style, casita, jaren ’50 trailer, …

-          Grand Falls: wat een bijzondere plek in indianen land

-          Mooie wandelingen zoals Ladder Canyon, Echo Canyon (Chiricachua), …

-          Sfeervolle western (ghost) towns, met Goldfield op kop!

PROGRAMMA:

 DAG 1: 9 MAART: aankomst  's avonds in San Diego

DAG 2: 10 MAART op verkenning in San Diego, met o.a. een (speed)boottochtje in de haven

DAG 3: 11 MAART: via Julian naar Anza Borrego Desert State park, met hopelijk bloeiende cactussen (overnachting Borrego Springs)

 DAG 4: 12 MAART: via Salton Sea en Ladder Canyon naar Joshua Tree NP (overnachting 29Palms)

DAG 5: 13 MAART:  via Mojave National Preserve naar Death Valley (overnachting Furnace Creek)

DAG 6: 14 MAART: Death Valley NP (Titus Canyon, Racetrack playa)

DAG 7: 15 MAART: Vegas Baby! (overnachting Golden Nugget)

DAG 8: 16 MAART: via Oatman - route 66 naar Flagstaff

DAG 9: 17 MAART: Grand Falls, Sunset Crater, Balanced Rock, Coalmine Canyon (overnachting Sedona)

DAG 10: 18 MAART/ Sedona: Pink jeep tour Broken Arrow, West Fork Oak Creek trail, Sliderock statepark,... (overnachting Apache Junction)

DAG 11: 19 MAART: Lost Dutchman Statepark, Apache Trail (overnachting Tucson)

DAG 12: 20 MAART: Saguaro NP, Mission, Desert Museum

DAG 13: 21 MAART: via Tombstone naar Bisbee

DAG 14: 22 MAART: Chirachua NM en naar Phoenix (overnachting Scottsdale)

DAG 15: 23 MAART: naar huis...

 

 Onze juli – reis naar het Zuidwesten was prachtig. Maar toch had ik het gevoel dat ik snel terug moest naar dit mooie gebied.  Ik wilde zo graag terug naar Death Valley, en dan vooral om daar de Racetrack te gaan bekijken… Een dikke maand na terugkomst, begin september werden dan ook al tickets geboekt! Deze keer buiten het hoogseizoen…  En we konden weeral aftellen!

  

8 maart – we vertrekken … naar Brussel

 

Here we go again! Nog gewoon gaan werken op deze dinsdag, valiesje ’s avonds toedoen en we vertrokken alvast richting Brussel. De bedoeling was om een goede nacht slaap te hebben, alvorens de lange reis aan te vangen. Taxi papa bracht ons weg. Het was even zoeken naar het Pullman hotel in Diegem. Tja, dat is niet moeilijk natuurlijk, het hotel bleek een telefoontje later onlangs van naam veranderd te zijn (is nu een Golden Tulip).

 

Rond 10u kwamen we aan. De kamer was heel mooi! Het is trouwens een echt hotel voor zakenreizigers. We dronken nog een duur biertje in de (luidruchtige) hotelbar en dan gingen de oogjes toe.

 

9 maart – bijna 15 uur in het vliegtuig                                                         

 

Het plan van een goede nacht slaap was gelukt en rond 8 u vertrokken we (na een trage receptioniste, grrr) met de shuttle naar de luchthaven. Geen lange rij deze keer bij de American Airlines balie. We ontbeten weer op onze vaste stek op de luchthaven. Iets voor 11 u stegen we op. Het vliegtuig was nog niet halfvol en dus lekker rustig. We hadden elk 2 stoelen. Ik had deze keer vegetarische maaltijd opgegeven en zo kregen we elk een “bakje” met onze naam op. De vlucht duurde erg lang (9u 40min), omdat er tegenwind was. Onze hele lange overstap tijd in Chicago kreeg hierdoor een goede lengte. Sommige mensen waren wat minder gelukkig, en zouden mogen rennen voor hun vlucht.

 

In Chicago ging alles heel snel: korte rij bij immigrations (waar ze heel vervelend deden tegen de jongen voor ons!), koffer was er meteen, hup het treintje naar de andere terminal in,… In de andere terminal was het heel wat drukker! Onze vlucht naar San Diego vertrok om half vijf. Maar eerst gingen we nog een te straffe Starbucks koffie drinken en een hamburger bij McDonalds op de foodcourt eten (jaja we kennen Chicago ondertussen al goed!). En bemachtigde ik een “cone” voor Roel (een soft ice kennen ze duidelijk niet). De tweede vlucht was helemaal volgeboekt en heel wat minder aangenaam. Wat waren we blij toen na 4 lange uren de landing werd ingezet en de lichtjes van San Diego (het was al donker!) te zien waren. Rond 7 u landden we.  Koffers waren er gelukkig ook, en na 5 minuutjes wachten konden we het busje van Alamo op. Daar mochten we deze keer niet zelf kiezen. En eerst waren we erg teleurgesteld met de ons toegewezen zilverkleurige Hyundai Tucson. Die was veel kleiner dan de Dodge die we in juli hadden (er stond er zo eentje naast…) Onze mening over de auto zou nog veranderen: het bleek een veel krachtigere wagen en ook de AWD kwam goed van pas. De lederen zetels waren voorzien van zetelverwarming, lekker luxe.

 

Op weg dan naar het hotel, waar we rond 8 u toekwamen. Het was een klein half uurtje rijden. Ik had de Best Western Bayside Inn geboekt. Vriendelijke ontvangst hier, kamer met cityview was zeker OK (op de 11 de verdieping als ik me goed herinner), parking, internet,… We zetten onze bagage op de kamer en trokken nog even de stad in, naar het beroemde Gaslamp Quarter (de voormalige louche buurt, die nu mooi gerestaureerd; kenmerkend zijn de speciale straatlantaarns). Een kwartiertje te voet en we waren in deze gezellig buurt met bars en restaurants (en helaas ook heel wat zwervers, maar daar hadden ze ons in het hotel al voor verwittigd). De eerste bar waar we ons zetten, serveerde toch geen eten meer. Dan maar naar een restaurantje (“Urban Bar & Grill”) voor een steak en een ceasar salade. Daarna was het bedtijd!

 

10 maart  – zonneschijn aan de Californische kust                         

 

Uiteraard waren we al heel vroeg wakker. Bij onze hotelovernachting hoorde een ontbijt in het restaurantje naast het hotel: eenvoudig en vettig. We besloten de auto nemen, en rond half 8 waren we al aan de andere kant van de San Diego baai, bij het Sunset Cliff Natural Park. Simpelweg een hele mooie rotskust, bloemetjes, en een blauwe zee. Het zonnetje deed deugd! We genoten hier een half uurtje, zagen pelikanen en klauterden tot een getijdepoel. Een autoritje door de sjiekere buitenwijken van San Diego bracht ons bij “Harbour Island”. Want hier vertrok om 9u onze San Diego Speed Boat Adventures Tour. We waren de enige klanten!  Na een korte uitleg ging Roel aan het stuur. Eerst het mooie jachthaventje door en dan full speed achter het bootje van de gids aan. Dit was echt supertof! Spannend ook, zo recht door de golven! We maakten een tour van 1,5 u oftewel 13 mijl door de baai van San Diego. Langs het ponton met zeeleeuwen (joepie!), dwars de baai door langs Coronado Bridge, langs de tentoongesteld submarine en vliegdekschip,… En dat telkens met zicht op de San Diego skyline.  Roel kon het naar het einde toe echt heel goed!

 

 

We reden vervolgens naar een kleine supermarkt om picknick te kopen. Het weer was zo zalig; we wilden echt graag nog wat van de kust genieten. Op naar Point Loma en Cabrillo National Monument dus! Alleen al de rit er naar toe was een plezier, met prachtige uitzichten op stad en zee, en langs een indrukwekkend soldatenkerkhof (leek wel Ieper daar). Mijn nationale parkenpas van in juli was nog geldig (weeral joepie!), en we volgden de scenic drive naar zee. Op een bankje met uitzicht op de blauwe zee en de rotsen aten we onze picknick. Een beetje verder maakten we ook een wandeling langs de rotskust. Prachtig uitgesleten “badlands”, veel bloemen, rotsen,… Het was vloed dus de bekende tidepools zagen we wel niet. Er waren pelikanen en een zeehond. Op naar het visitor center (stempel halen voor mijn paspoort, joepie!). Weer een superuitzicht, deze keer op San Diego en de grote marine basis. Je zag zelfs de besneeuwde bergen rond LA en de smog boven Mexico. Wauw! Er was een klein museumpje. Cabrillo National Monument dient ook als herdenking van de eerste landing van de Europeanen in West-Amerika in 1542.

 

Tijd om de stad te ontdekken. Hiervoor reden we naar San Diego Old Town. Hier gingen we aan boord van de Old Town Trolley tours. Met een grappige rood-groene bus maakten we gedurende 2 uur een rondje met de bus. We stapten niet uit want er stonden telkens lange rijen mensen te wachten. We zagen o.a. Seaport Village (gezellig), Horton Plaza, Coronado hotel + ritje over de winderige brug, en Balboa Park (erg heuvelachtig). Opvallend toch hoe in Amerikaanse steden het vliegveld en de treinsporen echt midden in de stad liggen!  Daarna liepen we met een smoothie nog even rond in Old Town (oude huisjes 19de eeuw, een soort Bokrijk). Ondertussen hadden we geen zin meer in stad, en reden we naar het kustplaatsje La Jolla. Het was heel druk onderweg, maar La Jolla was de moeite! We stopten bij La Jolla Cove. In hartje stad, maar op de rotsen zat het vol alken, pelikanen en grappige zeeleeuwen. Wat een lawaai en stinken. Er was een klein strandje (waar we ons rap uit de voeten maakten, want de golven kwamen wel erg snel op), en spectaculaire rotsen met hoge golven. Het was er druk maar toch gezellig. Iets verder (bij een groot soort Zwin) lag nog het Torrey Pines State Park. De ranger wou ons eerst niet meer binnenlaten want ze gingen bijna sluiten, maar uiteindelijk konden we wel nog de autoroute rijden. We maakten de korte Guy Fleming - trail (halverwege helaas afgesloten) naar uitzicht op de kust en de speciale torrey pines (soort naaldbomen). In het park zagen we ook nog een roadrunner (biep biep), veel sportende Amerikanen en hoorden we een ratelslang. Ondertussen was het 6 uur en zagen we bij het verlaten van het park een prachtige zonsondergang.

 

Terug naar het hotel, wandelden we nog naar Little Italy, waar we aten in “Solunto Panificio”. Jammer genoeg was Roel z’n pizza helemaal verbrand maar het was wel gezellig. De stad San Diego op zich vonden we niet heel bijzonder, maar we hadden een prachtige dag aan de kust gehad!

 

11 maart – naar het uitgestrekte Anza-Borrego, met dirtroads en wildflowers! 

 200 km.

 

Natuurlijk weer vroeg wakker. Even schrikken bij het opzetten van de TV. Er was een verschrikkelijke aardbeving in Japan en nu was de headline “Tsunami threatens California”. Gelukkig was dat geen dag eerder… Na het ontbijt vertrokken we meteen richting binnenland. Veel rijvakken op de autostrade maar het reed vlot. Het was best groen naast de autostrade. In Alpine (wel wegenwerken en klopmannekes hier) stopten we nog bij de Albertsons want we hadden nog een isomo-koelbox nodig. Daarna trokken we verder. We wilden – tip van het forum – een omweg maken met mooie uitzichten. Het was even zoeken naar het begin van deze weg (de “S1” door het Mount Laguna gebied) waardoor we te ver reden en een border control passeerden (ze vertrouwden ons niet helemaal en we moesten aan de kant). Maar deze weg was meer dan de moeite waard, door een bosgebied met hier en daar nog flinke plekke sneeuw langs de kant. Maar het beste waren de adembenemende uitzichten op Anza-Borrego, het gebied waar we naar op weg waren!

 

Een prachtige afdeling bracht ons het gezellige westerndorpje Julian, bekend owv de appeltaart! We winkelden in een superschattig honing/snoepwinkeltje, waar we ook de lokale appelcider proefden. Daarna gingen we uiteraard ook in een bakkerij de bekende (warme) Apple pie proeven. Leuke stop! Na verder afgedaald te zijn in de groene vallei, kwamen we via de S22 in het veel drogere (en warmere) Anza-Borrego Desert State Park. Ik vond het al meteen indrukwekkend. Zoveel, tja, “leegte”. En bergen. Maar ook veel plantengroei. We zagen heel wat bloemen, wat betekende dat we geluk hadden. Het was wildflower season! Tijd voor een eerste wandeling: de “Bill Kenyon Overlook Trail”, een rondje van een mijl. Zoveel mooie planten (bloeiende cactussen, en gekke rode zwiepers “Ocotillo’s”. Er waren ook opvallend veel vogels. En, een (rode) slang op het pad, dat was even schrikken want Roel grapte net “trap maar niet op een slang”, en wat zag ik toen? Juist ja. De wandeling ging ook langs een indrukwekkend uitzichtpunt. We picknickten bij de auto en bezochten wat verder het visitor center in Borrego Springs, waar ik boekjes over planten en cactussen kocht.

 

 

We reden verder het park in, om via een korte (1,7 mijl) dirt road tussen de ocotillo’s naar “the Slot” te rijden. Dit is een slotcanyon van ongeveer een halve mijl lang. Je moest eerst heel steil naar beneden klauteren, Roel bleef dan ook boven en volgde mij bovenlangs. De canyon was mooi en lekker smal. Terug boven reden we naar het triestige trailer dorpje Ocotillo Wells, en dan de Split Mountain Road op. We reden over de onverharde Fish Creek Wash (best wel spannend) over ongeveer 6 mijl. Echt weer fantastisch. We reden langs rotswanden en badlands. Bijzonder, met heel weinig plantengroei. Toen we de rotsformatie “Elephant Knees” zagen, zijn we uitgestapt en hebben we hier rondgewandeld (veel hagedissen). Via dezelfde route terug; we arriveerden iets voor 5u bij Palm Canyon (en hier was er wel een vriendelijke ranger, die wel zei dat we ons moesten haastten ivm het vroeg donker worden en ons voor een uurtje niet meer liet betalen). Hier volgden we een trail van 4,8 km in de smaller wordende kloof, naast een klein riviertje dat we twee keer moesten oversteken. Er waren bloemen in alle kleuren (wauw!), en kikkers in het riviertje. De wandeling steeg tot aan een oase (“palms”). Bijzonder! En toen moesten we wel echt een eindspurt inzetten om in de schemer terug bij onze auto te raken.

 

 

Ons hotel was gelukkig vlakbij, het Stanlunds Resort. Erg leuk, met witte schakelhuisjes rond een pleintje met zwembad. Erg verouderd vanbinnen maar de ontvangst was hartelijk. Eten vinden in een gat als Borrego Springs was minder eenvoudig op de lokale uitgangsavond, maar we vonden een charmant plekje: “the Red Ocotillo”, een soort fastfood tentje uitgebaat door een grappige Mexicaan. Na de hamburgers en deze drukke dag zijn we goed op tijd gaan slapen.

 

12 maart – via Painted Canyon naar het weidse Joshua Tree NP                  290 km.       

 

Om 7u waren we al op weg; het zonnetje scheen al vrolijk. We reden de Arrayo Salado Wash. Een hele zanderige dirt road met hier en daar flink wat stenen. Na een kleine 4 mijl kwamen we bij de “17Palms” oase. Op grote stenen aten we onze ontbijt-picknick. Daarna wandelden we tot de palmbomen, en verrassing, er zat een tonnetje tussen met schriftjes met boodschappen in. Uiteraard heb ik hier ook onze namen achtergelaten! Het was hier ook weer enorm mooi tussen de badlands en met wildflower. We reden een stukje verder tot de afslag naar “5Palms”; het laatste stukje gingen we te voet. Prachtige heuveltjes met gekke zanderosie en hier en daar een wit laagje (zout?) en echt zo’n alleen-op-de-wereld-plek. De oase lag bovenop een heuveltje, erg leuk. Een sprookjesachtige plek. Het gaf me hetzelfde gevoel als vorige zomer bij Dante’s View. We zijn enorme gelukzakken dat we zulke mooie plekken mogen zien! Eigenlijk was het plan ook naar Pumpkin Patch te gaan, maar de dirtroad lag toch wat te slecht om met onze huurwagen het risico te nemen. Terug dan maar en afscheid van het desolate, maar magnifieke Anza-Borrego. Bij het buitenrijden van het park waren er veel plekken met quadrijders, en mooie badlands.

 

Zo kwamen we na een tankstop bij de plek Salton Sea, een groot zoutmeer dat door een vergissing ontstaan is. Veel boomgaarden hier, met o.a. citrusvruchten. We kwamen bij het triestige dorpje Mecca, en kozen voor de Box Canyon Road. Linksaf via de onverharde Painted Canyon Road dokkerden we de Mecca Hills Wilderness Area in. Vanaf een drukke parking wandelden we een vrij brede kloof in. Er was een pijl van stenen gelegd waar we op de neergevallen rotsen moesten klauteren om zo een ladder te vinden die we afdaalden. En tada, we waren in de slotcanyon Ladder Canyon. Terug een ladder op, en de wanden van de canyon rezen 20 m naast ons op. Het stuk slotcanyon was lekker bochtig en smal. Terug een ladder op en de canyonwanden weken meer uiteen. Roel wilde doorwandelen en dat bleek een goed idee. Door de kloof met bloemen en bloeiende cactussen gingen we omhoog tot een indrukwekkend uitkijkpunt. Het was best een pittige wandeling, maar zeker de inspanning waard!

 

Verder langs de Box Canyon Road (bleef heel mooi) picknickten we en had ik een gezellige babbel met een Amerikaans stel met een schattig hondje. Zo kwamen we in de vroege namiddag bij Joshua Tree National Park. Bergachtig, en weids. Stempel halen in het bezoekerscentrum, en als eerste stop kwamen we bij de “Cholla Cactus Garden” voor een korte, hele mooie wandeling in een veld vol teddy bear cholla’s, met nog wat gele bloemen. Opvallend dat deze cactussen altijd stukken “lossen” om zich te verspreiden. In Joshua Tree zijn vele speciale rotsen te vinden, die zagen we bvb. bij White tank. Bij Jumbo Rocks klauterden we over de rotsen. Via de dirt road Queen Valley Road tussen de Joshua Trees reden we naar de beginpunten van de wandelingen die ik wilde doen maar het was hier veel te druk (’t was dan ook zaterdag). Vanaf Keys View (1581m hoog) wierpen we een blik op het verre uitzicht. We kozen vervolgens voor de Lost Horse Mine Trail (4 mijl) die lekker rustig was, en ook heel mooi. Bergop, bergaf; soms door een afgebrand stuk en met uitzichten, tot aan omheinde restanten van een oude goudmijn.

 

Het laatste uurtje dat het nog licht was gebruikten we voor de Barker Dam Trail (1,4 mijl): langs supermooie rotsen, een schattig meertje met een dammetje uit 1900,… Een aanrader! Met de ondergaande zon reden we over de dirt road Bighorn Pass Road, en vervolgens het park uit. Het was donker toen we in ons hotel Sunnyvale Garden Suites in Twenty Nine Palms toekwamen. We moesten de uitbater opbellen, maar die kwam ons dan ons appartementje “the Prospector” compleet met keuken en salon tonen. Avondeten (veel te vet!) deden we in een niet zo nette Denny’s in het stadje. Moe en heel voldaan na zo’n superdag in 3 prachtige gebieden, kropen we goed op tijd ons (kleine) bedje in.

 

 

13 maart – nog meer woestijn in Mojave National Preserve                        380 km.

 

Met het ingaan van de zomertijd sliepen we een uurtje minder, en was het nog donker toen we opstonden. In het donker bekeken we het leuke western-tuintje van het hotel. Daarna maakten we een tourtje door Twenty Nine Palms. Een echt “gat” maar overal leuke muurschildering; erg tof! Bij ons favo (omdat ik dol ben op hun eiersalade-sandwichen) tankstation (de 7-11) kochten we ook meteen picknick en vond ik het perfecte souvenir: een Amerikaans vlaggetje voor 1 dollar, dat heel de reis het dashboard mocht sieren. Via lange rechte wegen (met vaak rijtjes brievenbussen er naast), doorkruisten we de vlakte, reden een bergketen over, en daar lag de zoutvlakte Bristol Lake, met zoutwinning. De weg ging er dwars door, en de barsten in de zoutkorst waren erg speciaal. We zagen het zwarte krater(tje) van Amboy Crater liggen, en in Amboy sloegen we rechtsaf, Route 66 op!

 

Route 66 lag er hier wel erg troosteloos bij, maar het blijft bijzonder natuurlijk. Bij Roy’s café; dat is een klassieker uit lang vervlogen tijden, namen we foto’s van de gekende schildering op het wegdek. Heel lang vervlogen bleek toen we het al lang leegstaande motel bekeken. We kochten hier een (oplos!?)koffietje, die zo slecht smaakte dat Roel hem offerde aan de woestijn. Een beetje verder kwamen we bij de ondertussen omgevallen schoenenboom waar ondertussen ook bijna alle paren schoenen uit verdwenen waren. En niet veel verder verlieten we de “mother road” al weer, om via de Kelbaker Road het Mojave National Preserve, een minder bekend woestijn gebied gelegen op een hoogplateau tussen 900 en 1600 m hoog, in te trekken.

 

We kozen voor een stukje onverharde weg, en kwamen zo bij Kelso Dunes, waar duinen meer dan 200m hoog uit de woestijn opreizen. Bijzonder indrukwekkend, en we liepen hier een tijdje rond om dierensporen in het zand te bekijken en zelf sporen te maken. De duinen zijn ook bijzonder omdat ze “zingen” maar dat hebben wij alleszins niet gehoord. Verder naar het oude en mooie treinstation Kelso Depot. Stempeltijd, en we dronken een koffie aan de U-vormige toog. De ranger daar raadde ons aan om niet naar het Hole-in-the-Wall gebied te gaan, maar gaf als tip een dirtroad naar lava tubes. Daar reden we dan ook meteen naar toe; we kozen de “Aiken Mine Road”, een best wel spannend ritje langs heel wat vulkaankraters, tot het beginpunt van een korte trail. Picknicktijd, en daarna wandelden we door zwarte lavavelden naar heuse grotten in de lava. Een leuke plek, ook omdat het zo afgelegen is. Terug via dezelfde onverharde weg, en verder over de Kelbaker Road verlieten we Mojave al weer. In totaal hebben we toch zo’n 90km gereden om het indrukwekkende Mojave Preserve te doorkruisen. Een stukje over de Interstate westwaarts reden we nog de Zzyzx-Road in, alleen al voor de naam. Een leuke weg, quasi door weer zo’n droog zoutmeer bracht ons naar een research center, maar behalve wat wildflower, een vijver, en een soort hoefijzer-smijt-spel was hier niet veel te beleven.

 

Terug tot Baker, waar we werelds grootste thermometer konden zien. Helaas was die kapot… Verder was Baker enkel een troosteloze rij tankstations; we vonden hier zelfs geen leuke winkel om boodschappen te doen. We zetten er de vaart in voor nog een flinke rit naar Death Valley. Lange rechte eenzame wegen: heerlijk! We passeerden een groot gebied voor off road voertuigen. En een beetje verder stopten we bij het Salt Creek gebied, voor een korte wandeling. Hier was een soort kreekje met vegetatie. We waren weer helemaal alleen…  Zo kwamen we bij Shoshone, dat we nog kenden van in juli. Weer diezelfde grappig bergjes. Het dorpje is erg schattig, maar we moesten verder… Via Badwater Road reden we mijn favoriete park binnen: Death Valley National Park!!! Super om hier na 8 maanden weer te zijn! De pas over die ik me nog herinnerde, en daarna een spectaculaire afdaling, tussen gele en soms roze hellingen. Death Valley stond hier in bloei! Jammer genoeg hingen er ook donkere wolken boven Death Valley. We zagen al gauw de grote zoutvlakte die Death Valley domineert liggen. Daarna een rit vol bochten hierlangs die eindeloos leek te duren, want we moesten op tijd bij Farabees geraken. Net op tijd, om 5u, arriveerden we hier. Richard (“you finally made it” zei hij meteen; ik geef toe dat ik hem een beetje gestalkt heb de laatste maanden) regelde in zijn slordige kantoortje de huur van een rode Jeep Wrangler met heavy use tires voor ons. Met twee wagens reden we naar ons hotel.

 

Furnace Creek Ranch kenden we nog goed van ons vorige bezoek, en het was opnieuw erg leuk om hier terug te komen. Zo ver van huis en toch herkenbaar. We kregen weer een mooie kamer, deze keer op de verdieping. En dan konden we het toch echt niet laten om nog een uurtje met onze jeep te gaan rijden. We kozen voor Echo Canyon. En het was fantastisch! Over een ruwe weg (veel rotspunten) hobbelden we (9 mijl, en dan weer terug) door een fantastisch mooie canyon, terwijl het stilaan donker werd. Deze weg hadden we zeker niet kunnen doen met onze huurwagen, wat het extra tof maakte. We merkten ook de Needle’s Eye arch op hoog in de rotswand. Op de terugweg een mooie zonsondergang met zicht op de zoutvlakte in de verte. We kwamen ook een camper tegen, maar die zal vast niet ver geraakt zijn… In Furnace Creek sloten we de dag af met een super-pizza (zelfde als in juli) in de saloon. En dan op tijd gaan slapen, voor de grote dag morgen!

 

14 maart – ons jeepavontuur in Death Valley: op naar de Racetrack!

366 km.

 

Enorm slecht geslapen vannacht, en heel de tijd op de wekker gekeken. Om half 6 mocht ik er eindelijk uit. In het donker alles klaargemaakt wat we wilden meenemen op ons jeepavontuur. Dan nog gaan tanken (voor de zekerheid..). Ondertussen begon het al wat licht te worden, en wij reden via de Beatty Cutoff Road en de Daylight Pass. Eerst gingen we even kijken bij het spookstadje Rhyolite, net buiten het park. 100 jaar geleden toen er goud gevonden werd, woonden hier nog 5000 mensen. Nu zagen we enkel nog een stuk of twee bewoonde trailers, wat “kunst”, een treinwagenwrak, oude fabrieksgebouwen, een verlaten general store en wat leuke “koterijen”. Ook is hier het bekende bottlehouse. We aten onze ontbijt-picknick, en reden toen een klein stukje terug om te beginnen waarvoor we hier echt gekomen waren.

 

Eerst op naar Titus Canyon! Een éénrichtings dirt road van zo’n 29 mijl. We zetten er flink de vaart in met een hele stofwolk achter ons (jaja de chauffeur amuseerde zich volop). De weg was nog vlak, en we reden tussen bosjes. Na een tijdje begon de weg te stijgen, en te stijgen… We kronkelden langs hellingen, en door haarspeldbochten (de chauffeur was ondertussen al flink vaart geminderd gelukkig – LOL). Erg spectaculair! De top over, dat is de “Red Pass” (rode rotsen bij de top), en dan begonnen we al aan de even spectaculaire afdaling. De weg was erg smal met slecht wegdek en we moesten erg voorzichtig zijn. Maar WAUW! We stapten ook even uit om van de mooie uitzichten te genieten. Na een tijdje kwamen we bij een parking waar we tot bij een oude mijningang wandelden. Een volgende stop was weer een ghost town Leadfield: hier enkele verroeste huisjes en oude mijningangen. En surprise, een depanage wagen met reservebanden! We kwamen hier ook de eerste andere jeeps tegen op deze dag. We reden in een soort vallei die stilaan een echt canyon werd. Mooi! We kronkelden naar beneden, en de canyon wanden kwamen dichter en dichter bij elkaar. Zo kwamen we bij de “Titus Narrows”. Hoge rotsen torenden boven ons uit. Hier waren trouwens ook wandelaars, die waren de canyon langs de andere kant binnen gewandeld bij gebrek aan jeep. En dan kwamen we bij het einde van de canyon: plots geen rotswanden meer langs ons!

 

We reden nu over de gewone weg naar het noorden van het park. Daar reden we over een bijzondere weg vol dips (owv het risico op flash floods wordt de weg hier zo bewust aangelegd). We kwamen in een vulkanisch gebied, overal zwart “zand” en mooie kraters. We picknickten rond een uur of 11 al, aan de rand van Uhebe Crater. Erg mooi, maar voor een wandeling hadden we geen tijd. Want we begonnen aan de Racetrack Playa Road! We dokkerden (letterlijk, de weg was erg washboarded en we werden heel stevig door elkaar geschud) over deze keitjes weg door de woestijn; eerst door vulkanisch gesteente met mooie wit-bloeiende cactussen, daarna door een woud van joshua trees (en blinde bochten, en dat met regelmatig een tegenligger). Na goed 20 mijl waren we bij Teakettle Junction: een wegwijzer volgehangen met theepotjes met boodschappen er op! Daar pronkt nu dus ook een koperen keteltje “Roel & Leen, Belgium, 03.14.2011”! Rondom de vlakte waar we ons bevonden zagen we hele hoge bergen, die in de verte zelfs nog sneeuw op de toppen hadden. Nog een kleine 10 mijl te gaan. We zagen de Racetrack al snel in de verte liggen als een grote witte vlek.

 

We stopten eerst aan de noordzijde van de gigantisch grote witte playa (een soort droog meer, 1130 m hoog gelegen, en meet 5 op 2,5 km), voor een wandeling rond de “Grandstand”, een soort eiland van zwarte basaltrotsen in het midden van de playa, en staken de playa over. De grond is bijzonder: plakkerig, wit, met allemaal “kraakjes” in de vorm van zeshoeken. Onze voeten lieten wel wat sporen na, wat ik erg jammer vond, maar ondertussen heb ik gelezen dat dit zich herstelt met de winterregen. We vonden al een paar rotsen op de playa, maar zonder de beruchte racetracks er achter. Een paar mijl verder parkeerden we bij het zuidelijke uiteinde van de playa. Hier meer stenen (zwarte rotsen, niet zo erg groot), vooral aan de andere kant van de vlakte, met de zo beroemde sporen er achter. Rechte sporen, kromme, cirkeltjes, soms een hoekige bocht, kruispunten,… Dit verschijnsel schijnt te ontstaan door een combinatie van sterke winden en nattigheid op de playa. Maar er zijn verschillende verklaringen voor deze “sailing stones”. We moesten best wel een eindje stappen naar de verschillende rotsen; de meeste andere mensen die hier waren (er stonden in totaal toch een tiental auto’s) leken dit niet doen? Een speciale plek!

 

We moesten terugkeren langs dezelfde road. Maar aan Teakettle Junction reden we nog even de andere richting uit, via de Hidden Valley Road, voor een paar mijl. Op weg naar de Lost Burro Mine, maar de laatste mijl durfde ik niet te rijden met onze jeep omdat ik op ontdek-amerika.nl gelezen had dat dit echt niet goed lag. Dat was een wijze beslissing, want het wegdek was op sommige plaatsen deels weggespoeld. Langs de flink stijgende weg zagen we bloeiende cactussen maar ook opvallend veel verroeste blikjes. Na even flink puffen kwamen we bij een oude mijningang, een vervallen huisje, en een soort WC kotje. Erg sfeervol plekje, inclusief verroeste kruiwagen en klapstoeltje dat Roel meteen openklapte. Boven op het heuveltje voorbij het “stadje” had je een mooi uitzicht op de vallei er achter. En in het huisje (dat was los) stond nog een volledig vervallen interieur; het werd zelfs regelmatig uitgeveegd leek het wel. Dit deed ons erg denken aan Bodie dat we in juli bezochten. Weer een sfeervolle, eenzame plek ontdekt dus…!

 

 

Nu moesten we heel die lange weg nog terug dokkeren, na een fotostop bij Teakettle Junction. Toch niet evident om die lange weg te rijden, ik had amper de kracht om het stuur recht te houden met al dat gedril. Roel kon het gelukkig goed! We kwamen op deze tocht trouwens twee wagens met panne tegen, en één grote jeep met lekke band. En toen, bijna terug bij Uhebe Crater, kwamen we een grote takelwagen tegen… Ik had echt medelijden met de chauffeur. Racetrack Playa road is geen weg om zomaar aan te vangen; dat was wel duidelijk. Via de “gewone” weg moesten we nog een flink eind rijden terug naar Furnace Creek. Prachtig toch die gekleurde bergen en badlands in Death Valley, maar we waren toch blij dat de zoutvlakte weer in zicht kwam. Om half 7 (maar 1,5 uur te laat, oeps) leverden we ons rood machien voor één dag met veel spijt weer in. Doodmoe kwamen we aan in Furnace Creek. Gewoon simpel terug naar de saloon, waar de waitress ons nog kende van de dag ervoor. Weer een grote pizza eten (erg lekker!), even gaan zwemmen (het was hier veel rustiger dan in juli!) en daarna hebben we wel heel erg goed geslapen!

 

15 maart – Vegas Baby!                                                                                230 km.

 

Na een goede nachtrust werden we voor de tweede ochtend op rij wakker in Furnace Creek. Voor we afscheid namen van dit mooie hotel maakten we nog een wandelingetje over het terrein. Ik vind het erg tof met al die palmbomen, bankjes, paadjes, mooie bomen,… We verkenden het pleintje achter het Borax museum; hier stonden een oude locomotief, koetsen, kluis,… Mooi zo met die palmbomen, spectaculaire bergen en helderblauwe lucht op de achtergrond! Om 8u kon ik mijn Death Valley stempel in het bezoekerscentrum gaan halen. We zetten koers richting Death Valley Juction, maar stopten nog bij twee oude bekenden van onze juli reis: Zebraski Point (mooie gekleurde badlands) en de 20 Mule Team Canyon (een erg leuk stukje kronkelige dirtroads tussen de licht gekleurde badlands). Daarna verlieten we het mooie Death Valley (snif snif)! We passeerden het beruchte Amargosa hotel, en kwamen na een uiteraard weer hele mooie rit (bergachtig) bij het (grote maar vrij triestige) plaatsje Pahrump in de staat Nevada. We aten (als laat ontbijt) een Whopper bij de Burger King, tankten en kochten een koffie. Langs de voor ons al bekende route, langs besneeuwde bergen reden we naar Las Vegas, dat al snel optorende uit de woestijn!

 

Rond de middag kwamen we via de sjiekere ommuurde buitenwijken van Las Vegas aan bij de Strip. Eerst een foto bij het beroemde bord “Welcome to Fabulous Las Vegas”! Het was hier veel drukker dan in juli, en het was vechten om een parkeerplaatsje. Ook stonden hier verklede figuranten waar je mee op de foto kon. We parkeerden ons in de self-parking (dit vinden we toch gemakkelijker dan de Valet) van het Paris hotel. Dat hadden we in juli immers nog niet bezocht. Er zijn Franse winkelstraatjes inclusief nep-kasseien gemaakt (grappig, het lijkt totaal niet op het echte Parijs), en een mooi casino waar we ons geluk even uitproberen bij de slotmachines. De buitenkant is al even mooi met de Eifeltoren, bloesem en de Arc de Triomphe. We wandelden de strip af, richting M&M winkel (maar liefst 4 verdiepingen, erg vrolijk!), Coca Cola-winkel (waar we op de foto gingen met een grappig ijsbeer die in Roel z’n hoofd beet) en het Planet Hollywood hotel. En we genoten van een smoothie bij McDonalds. Het was druk en warm. Mensen kijken kan je hier volop! Wat later wandelden we ook de andere richting op, tot aan het Flamingo hotel en  in de tuin met vollières. Dit hotel is wel al duidelijk ouder.

 

 

In de late namiddag vertrokken we naar Downtown Las Vegas. Het was even zoeken naar de ingang van de parking van onze hotel de Golden Nugget, en vervolgens naar de VIP check in. Maar onze Gold Club Luxury kamer, met de nodige leuke extra’s (bvb. vip check in, snacks en drinken op de gang, …), was meer dan de moeite waard. Wat een sjieke kamer op de 17de verdieping, met mooi donker meubilair, een leuke salon met toffe lamp, een TV in de badkamerspiegel,… Na even te relaxen op de kamer, trokken we naar het zwembad. Hier is een “waterval”, een groot aquarium met haaien én met een glijbaan erdoor. Die hebben we natuurlijk uitgetest, net als de hot tub. ’s Avonds aten we in het buffet restaurant van ons hotel. Het leukste was met ons VIP-kaartje de lange rij voorbijsteken. Het buffet was OK, maar niet zo goed als de andere Vegas-buffetten die we al gedaan hebben. Ik was ook niet

 blij toen ik heel lang op mijn pasta moest wachten; zo langs dat ze ons tafeltje en onze spullen al opgeruimd hadden.

  

 Tijd om Downtown  en meer bepaald Fremont Street te verkennen! Veel leuker dan de strip, o.a. omdat het voetgangersgebied is en gewoon veel gezelliger. Zoveel kleurige lichtjes in alle kleuren; bvb. ook de neon verlichting met “Vegas Vic” en “Vegas Vicky”. Ons hotel had ook al zo’n prachtig verlichte gevel. Er waren straat artiesten (bvb. een goochelaar, een schilderijen-spuiter,…), podiums met optredens, en bij bepaalde casino’s kreeg je bij het binnenkomen een kralenketting in een leuk glitterkleurtje. De casino’s waren ook veel volkser. We hebben drie shows gezien van de “Fremont Street Experience”: een schitterend licht- en geluidspectakel op het overdekte plafond van de Fremont Street (12,5 miljoen lampjes, 27 m hoog, 416 m lang). De andere lichten doven dan, en het leven op Fremont Street valt even stil. Er was hier zelfs zo’n adventure “zipline” om door Fremont Street te vliegen (maar zo zot zijn we nog net niet). We speelden op de slots in de casino’s waar Roel op één keer zelfs 11 euro won op een inzet van 1 euro. We wandelden ook buiten het toeristisch gedeelte van Fremont (East), met hier en daar erg mooie oude neonverlichtingen (een soort openlucht museum). Hier liepen we bijna alleen tesamen met wat louche types, dus draaiden we vrij gauw terug. Ondertussen speelde er een soort dans-DJ op Fremont Street. Hilarisch, want heel wat Amerikanen begonnen heel grappig te dansen met elkaar. Ik heb heel hard gelachen vooral met “rode-piama-madam”. Vanaf 12 uur begint er vanalles te sluiten op Fremont Street. We hebben dan nog even gespeeld in ons “eigen” casino en de avond afgesloten met een winst van enkele euro’s. Rond half één zijn we gaan slapen. We zijn allebei super-fans van Downtown Las Vegas geworden!

 

16 maart – Get Your Kicks on Route 66!!!                                                   505 km.

 

Een ietsie pietsie langer geslapen, en dan lieten we Vegas achter ons! Lange rechte wegen. We reden vandaag via een omweg langs Oatman. Dus volgden we highway 95. We passeerden het schattige plaatsje Searchlight. Nog in Nevada, dus bij het tankstation hadden ze een leuke casino’tje. Eerst aten we een Breakfast Platter bij McDonalds (eentje voor ons twee…); daarna speelden we elk voor 1 dollar bij de slots. Daar kan je heel lang voor spelen. Op een gegeven moment wilde ik innen; kwamen ze mij toch wel een dollar brengen. Hilarisch! Bij het tankstation stonden er indrukwekkende trucks, maar ook een flinke wind. Ik moest mijn koffie heel goed vasthouden.

 

Volgende fotostop was het dorpje Cal-Nev-Ari. Net de 3 staten die we deze reis aandoen. Maar net op die moment liet het fototoestel het afweten! Grrrrr! Een grappig plaatsje trouwens met een heus (zanderig) vliegveld. Maar nu moesten we dus een nieuw fototoestel hebben. We reden eerst langs Laughin; heel grote casino hotels naast de rivier maar niet echt winkels. Bullhead City (geen casino’s meer want net over de staatsgrens van Arizona) was vlakbij en had veel winkels. In de Radioshack kochten we een nieuw toestel. Toen mocht Roel van mij eens hard op ons kapotte toestel kloppen. En tada, nu hadden we twee fototoestellen voor de rest van de reis. Zo kwamen we op de historische Route 66, kronkelend tussen mooie bergen met puntige rotsen en best wel veel groen.

 

Zo waren we al heel gauw bij onze hoofddoel van vandaag: het stadje Oatman. Hier was in het begin van de 20ste eeuw de grootste goudmijn van Arizona; de afstammelingen van de ezels van de mijnwerkers leven nu nog altijd semi-wild rondom het stadje. Het eerste wat we dan ook tegenkwamen waren enkele super schattige ezeltjes, helemaal omzwermd door allemaal dames die ermee op de foto wilden. Het dorpje zelfs is eigenlijk gewoon één straat met route 66 er door. Eerst mochten we niet door omdat ze iets aan het filmen waren. Het zijn allemaal houten huizen met vaak grappige namen (bvb. “Jackass Junction”), met van die houten boardwalks ervoor. Het was hier enorm druk. Het bekende Oatman Hotel hing vol dollar biljetten (zouden we nog zien deze reis). We kozen dan ook een ander restaurantje vanvoor in het dorp voor de lunch, dat deze keer ging lopen met de titel “slechtste eten van de reis”. Ondertussen werd er nog een vuurgevecht nagespeeld op straat.

 

Na nog wat ezeltje-aaien reden we verder over route 66, kronkelden door de bergen, over de “Sitgreaves Pass” en langs een open mijn. Zo kwamen we bij Kingman. We zochten het Route 66 museum op, best wel leuk, over de geschiedenis van deze beroemde weg die belangrijk was bij de trek naar het westen. Er stonden ook enkele oude treinstellen in het parkje, waar we zijn ingekropen. We aten een dessertje in roze-groene geschilderde ouderwetse diner Mr. D’z (buiten in de wind, terwijl er lange treinen passeerden. Bij één telde ik 113 (!!!) wagons).  Hier namen we voor even afscheid van Route 66 (dit stuk hadden we in juli al gereden) en volgden de interstate naar Williams. Net om 6u, sluitingstijd dus, arriveerden we bij de Deer Farm. Pech gehad dachten we, maar van de vriendelijke uitbaatster mochten we toch nog binnen. Meer nog, ze kwam ons meteen achterna, om ons voor te stellen aan kameel Gracy, die we (met een worteltje in onze mond) een kusje mochten geven (dat viel trouwens goed mee hoor). Er waren hier veel hertjes om tussen te lopen en te voeren. En bij vertrek maakte Roel ook nog kennis met een zotte witte papegaai.

 

 We volgden weer een klein stukje de oude Route 66, die hier onverhard door een mooi bos liep, met hier en daar nog plekken sneeuw. De zon begon al ondergaan, en de zonsondergang zette de hemel in vuur en vlam; een mooi plaatje, zeker toen er weer zo’n supertrein passeerde. Onze eindbestemming voor vandaag was Flagstaff (ligt 2300 m hoog in de bergen), waar we onze intrek namen in de Comfort Inn (heel mooi hotel met heel vriendelijk onthaal!). We trokken nog even het oude stadsgedeelte in, gezellig met cafétjes, en aten bij Charly’s Bar & Grill. En we kochten een cadeautje voor de thuisblijvers in de grote petshop.

 

 

17 maart  – Langs verborgen schatten in Indianenland                                       300 km.

     

Een klein ontbijtje in de mooie ontbijtruimte van ons hotel, en we trokken richting indianen land. Rechts van ons zagen we verschillende vulkaankraters oprijzen. We kozen voor de onverharde Indian Road 6910: 9 mijl grijze gravel, zwarte gravel, en rode gravel later waren we bij ons eerste doel van de dag. De weg reed hier trouwens recht de rivier the Little Colorado in, die breed was en flink wat kracht had. Niet zo gek, want het grootste deel van het jaar staat de rivier blijkbaar quasi droog! Wij volgden de stroom een stukje te voet terwijl we het water al hoorden bulderen. En zo kwamen we bij de Grand Falls. We zagen de watervallen eerst van vanachter. Hier gaat de brede stroom een aantal trapjes af. Maar eenmaal bij de shelters die er stonden, zagen we ook de hele hoogte van de waterval. Wauw! Deze waterval wordt ook wel de “Chocolate Falls” genoemd omdat het water bruin is. En het is echt een prachtig spectacel! Schijnt trouwens groter te zijn dan de Niagara watervallen. We keken onze ogen uit. Dit was voor mij weer één van de mooiste momenten van de reis. Gek toch: zo’n prachtige plek; er is geen enkele wegwijzer naar toe; je moet een dirtroad van 9 mijl doen, en toch staan hier verschillende picknickbanken? We keken nog vol spanning toe hoe een pickup duidelijk staat te aarzelen om door de stroom te rijden, maar dan tot onze spijt toch omdraaide.

  

 

Op de terugweg was het volop genieten van de uitzichten op de lege hoogvlakte met op de achtergrond vulkaankraters en de met sneeuw bedekte toppen van de San Francisco Mountains. Omdat we nu toch vlakbij waren, reden we ook naar Walnut Canyon National Monument. (wat een topdag, ik heb op drie plaatsen stempels bemachtigd!) De GPS stuurde ons via een leuke onverharde weg, met ook weer hier en daar sneeuw. Zo kwamen we bij dit kleine parkje met honderden rotswoningen (ruïnes; hier schijnt veel vernield te zijn) van de Sinagua indianen uit de 12de eeuw. We volgden de Island trail; een klein rondje (halverwege trouwens onderbroken) waarvoor we eerst maar liefst 240 trappen naar beneden moesten. Het is hier echt een opmerkelijke canyon, heel groen!

  

Ons volgend avontuur was een Safeways (supermarkt) bezoek in Flagstaff. Picknick nodig, maar ook iets tegen Roel z’n keelpijn. De apotheker daar raadde ons aan om toch zo spoedig mogelijk naar het ziekenhuis te gaan (LOL). Wij reden richting Noorden; maar sloegen al gauw de loop in via twee bijzondere National Monuments. Eerst picknicken in een dennenbos; en toen was Sunset Crater National Monument aan de beurt. Vulkanen vind ik altijd iets hebben (Roel had ondertussen al weer genoeg vulkanen gezien); vooral fascinerend is dat de laatste uitbarstingen hier minder als 1000 jaar geleden zijn! Na een bezoekje aan het visitor center, vervolgden we de loop. Eerst een korte trail naar de enige krater waar je op mag: de Lenox Crater trail. Steil omhoog door zwart lavazand, tussen de bomen. Puf puf. Een beetje verder was de Lava Flow Trail aan de beurt; een rondje van 1 mijl tussen de lavastromen en langs de mooie zwart rode hellingen van de Sunset Crater. Ik vond dit erg mooi!

 

Een beetje verder veranderde het landschap plots compleet. Zachte heuvels, met grappige bosjes er op. Zo kwamen we bij Wupatki National Monument. Geen hoge verwachtingen, maar dat was volledig onterecht. Wat een pareltje, vooral owv de ligging! Ook hier woonden in de 11-12de eeuw de Sinagua indianen. Onze eerst stop was Wukoki Pueblo. Je zag het al van ver liggen, net een burcht in rode steen. Prachtig! Wupatki Pueblo was het grote dorp; ook hier maakten we de loop wandeling. Na dit bezoekje reed ik (Roel deed een tukje) nog een klein uurtje verder, naar Tuba City. Weer in Navajo land dus. Hier in de buurt waren we in juli ook geweest, in de gietende regen. Weer viel ons op hoe mooi de painted desert is. Groene heuveltjes, bad lands, rode gekke rotsen,… Wij gingen één van de verborgen schatten hier zoeken, en volgden de AZ264 dieper indianen land in, en dan nog een klein stukje dirt road, recht naar een windmolen (dient om water op te pompen voor de dieren?) toe. Ook hier weer geen wegwijzer, maar wel picknickbanken. En daar, pas zichtbaar op de laatste moment: Coalmine Canyon. Een grote canyon met grillige vormen en rotspilaren en heel veel kleur (rood, groen, zwart, grijs,…)! Echt weer prachtig, zoveel mooier dan bvb. de Grand Canyon. Een hond deed ons plots opschrikken en volgde ons heel de tijd: een superlief dier maar erg verwaarloosd. Wat zonde toch… En een groot contrast met de prachtige paarden die hier renden…

 

De wolken zagen er dreigend uit, maar toch maakten wij over enkele korte, zanderige wegen nog een extra bezoekje, deze keer aan de Balanced Rock. Gelukkig had ik een goede routebeschrijving, anders had ons oog zeker niet gevallen op wat hier een eindje van de weg af lag: een stuk of 13 zwarte, gekke, ronde rotsen, op een helling. Eentje stond op een pilaartje. Erg leuk om te zien. Het begon al een beetje te schemeren, dus tijd om de dag af te sluiten. Maar eerst probeerden we de McDonalds in Tuba City (koffie en smoothie, daar hadden we ondertussen echt zin in), en dan nog een flinke rit van meer dan een uur. Terug naar Flagstaff, dus recht op de San Francisco Mountains af. Het begon donker te worden, en ja de eerste regendruppeltjes van de reis waren ook een feit. Het laatste stuk naar Sedona moesten we in het pikkedonker afleggen. Niet zo’n pretje met al die scherpe bochten in Oak Creek. De beroemde rode rotsen kregen we zo natuurlijk ook nog niet te zien. In de Super 8 werden we weer heel vriendelijk ontvangen. Een eenvoudig hotel, maar prima voor ons. We waren na zo’n drukke dag vol indrukken weer heel moe, en hebben gewoon nog wat gegeten op onze kamer. Ik vond dit één van de meest geslaagde dagen van de reis!

 

18 maart – Jeeprijden en wandelen in het rode Sedona                                       245 km.

 

Bij het openen van onze gordijnen konden we al meteen een blik werpen op waar Sedona zo bekend voor is: de rode rotsen! Tijdens onze reis hadden er al een paar Amerikanen tegen mij gezegd hoe beautiful ze Sedona wel vonden, dus ik was benieuwd! Een klein ontbijtje in de Super 8 en we konden er weer tegen. We parkeerden in het centrum van Sedona (ziet er heel anders uit dan de rest van de US – en zo enorm over toeristisch!) en wandelden hier wat rond voor onze Pink Jeep Tour begon. Om 8 u stapten we in een opvallend roze jeep en samen met een sympathiek koppel uit New Mexico en hun peuter begonnen we aan de Broken Arrow Tour. De jeep reed over rotsen zoals je niet zou voor mogelijk zou houden! En dat met twee uitgebreide foto stops onderweg. Eerst bij Submarine Rock. De gids was heel ijverig en wilde graag foto’s van ons twee nemen. Sedona is niet alleen heel rood, maar ook opvallend groen! Heel bijzondere vegetatie! Bij de volgende stop, bij de rotsen “the twins”,  zagen we weer een heleboel mooie formaties. Daarna begon het echte avontuur: over een rots in een hoek van 45° naar beneden en over “the road of no return” (een soort trap). Dit ritje van ongeveer 2 uur was erg leuk om eens mee te maken!

 

Voor een bezoekje aan Slide Rock State Park trokken we de weg van Oak Creek Canyon in. Al rijdend door Sedona zie je heel de tijd het prachtige rotslandschap; ze hebben allemaal leuke namen zoals “snoopy”, “coffeepot rock”,… Slide Rock is maar een klein parkje, met enkele historische huisjes en boomgaarden. Erg idyllisch en wat later op het voorjaar met de bloesems is het vast prachtig. Een paar bomen bloeiden al. Lentegevoel J ! En dan natuurlijk de slide rocks zelfs: in de rode rotsen heeft het riviertje hier bijzondere vormen uitgesleten. Er is een soort van glijbaan gevormd. Erg speciaal! We hebben er wel niemand van af zien glijden want het water was erg koud. We wandelden naast en boven het riviertje. Picknick lunch in de boomgaard (met de overschotjes fruit en croissants), en daarna trokken we verder naar de Call of Canyon – parking. Weer betalen (bijna 10 dollar!); de parking stond bomvol. We zouden hier een wandeling maken die bekend staat als één van de tien mooiste in de USA.

 

De West Fork of Oak Creek Trail is het best te omschrijven als plezant. Al gauw wandel je in het bos (ik denk wel dat het hier mooier is als de loofbomen groen zijn), tussen rode canyon wanden. Eigenlijk heb je enkel meer naar het einde van de trail toe het gevoel in een nauwere canyon te wandelen. Maar het is echt plezant omdat je 14 keer een de Oak Creek moet oversteken; door op boomstammen te balanceren, of door van de ene op de andere grote steen te springen. In het begin durfde ik niet goed, maar na een tijdje waren we echte specialisten met soms als resultaat een natte broek en natte schoenen. Soms wandelden we gewoon de rivier door. Naarmate we verder kwamen (3 mijl enkel) werd de route mooier en mooier (en rustiger!) en zag je ook goed de rode rotswanden. Bij de laatste oversteek lag ook wat sneeuw met een leuk mini-sneeuwmannetje. Daarna via dezelfde route terug. Dat ging al heel wat vlotter.

 

Ondertussen hadden we al terug honger gekregen van deze lange wandeling. Op zoek naar een plekje om iets te eten dus. In Sedona was het file,we probeerden binnendoor te rijden en kwamen uit bij Burger King. Honger was dus snel opgelost! Roel wilde graag een milkshake: helaas kregen we iets mee dat eigenlijk een giga grote beker vanille ijs was. Het begon al later op de namiddag te worden, maar we reden nog een mooie panoramische route met de auto: Dry Creek Road – Boynton Pass Road – Red Canyon Road.   Eigenlijk was het plan via de Vultee Arch Road naar het beginpunt van Devils Bridge trail te rijden. Maar na enkele honderden meters keerden we al terug: de dirt road lag echt veel te slecht (het reed hier trouwens vol met van die jeeptours zoals we zelf ’s ochtends gedaan hebben). Sedona lijkt mij echt een plek waar je veel plezier kan hebben van een stoere jeep. Bij veel vertrekpunten van wandelingen raak je anders gewoon niet! Jammer dus, maar een beetje verder vonden we een heel leuk alternatief: de Fay Canyon Trail (2,2 mijl). Eerst vonden we de trailhead niet; we volgden een paar andere mensen tot die ons zeiden dat ze al lang tevergeefs aan het zoeken waren. Ze stapten in hun auto, en ja, hoor, we vonden een groot bordje dat de trail aanduidde. Tja… De wandeling was lekker rustig, puur natuur, gemakkelijk, … Perfect dus. Het was een schattig paadje door de groene bosjes te midden van een brede canyon. Op de terugweg klommen we ook nog even wat hoger naar de “arch” (bijzonder want omdat er een rots achter zit zie je hem eigenlijk niet). Mooie uitzichten de hele tijd! Het laatste stuk van ons rondje reden we met ondergaande zon, over een dirt road. Een mooi afscheid van Sedona!

 

 Nu moesten we zoals gepland nog een flink stuk in het donker rijden. Gelukkig viel dat heel erg mee. Toen het echt donker was, zaten we al op de interstate. Druk verkeer en goed verlicht. We passeerden de agglomeratie van Phoenix: wat een supergrote, drukke stad! Er was veel te zien onderweg en we schoten goed op. We stopten onderweg trouwens ook nog bij Anthem: best een sjiek stadje zo te zien, met veel winkels. Wij beperkten ons tot de Safeways supermarkt. We overnachtten in de Best Western Apache Junction Inn: onze kamer was groot en zag er heel nieuw uit. Het stedelijk gebied van Phoenix lijkt door te lopen tot Apache Junction.

 

19 maart – Apache Trail langs het leuke Goldfield en prachtige uitzichten           

416 km.

 

Klein ontbijtje in het hotel, en na 5 minuten rijden ware we al op de Apache Trail. Dit is een toeristische route die 40 mijl door het woestijn-berg landschap van de Superstition Mountains kronkelt. Bij het begin van de trail ligt ook het Lost Dutchman State Park: hier hoort een mooi verhaal bij over een Duitser met een geheime goudmijn. We maakten een wandeling (2 a 3 mijl) via de Treasure Loop Trail tot Green Boulder, om dan af te dalen via de Prospector’s View Trail en terug naar de parking via de Jacob’s Crosscut Trail. We wandelden hier tussen de metershoge saguaro cactussen (die hadden we gisteren in het donker ook al zien staan in deze streek; enorm indrukwekkend als je er naast staat!), langs wildflower, heel veel gekke cactussen en met zicht op een bergketen. Veel vogels hier. Via een klein wandelingetje bij de ingang leerden we de namen van de planten kennen. Helaas zagen we langs de andere kant steedsde buitenwijken van Phoenix.

 

 

We reden een heel klein stukje terug tot aan Goldfield Ghost Town; een voormalig goudzoekersdorpje van het einde van de 19de eeuw. Heel toeristisch en ik geloof dat het ook grotendeels een reconstructie is, maar wel een erg leuke, sfeervolle plek. Er is eigenlijk maar één hoofdstraat, met houten huizen, een gevangenis, een saloon, houten boardwalks, en een klein kerkje op het einde. En natuurlijk de nodige stukken verroest ijzer. We genoten van een koffie met dessertje op het terras van een heel sympathiek bakkerijtje. We bezochten een klein serpentarium en ook het kleine sympathieke museumpje. Achter de huizen zag je de voormalige mijn, compleet met grappige karretjes. We besloten daarom ook een mijntour te doen, en kregen stokken als toegangsbewijs. Een grappige man (die graag Belgische frieten eet, volgens eigen zeggen) leidde ons rond. Eerst via een wel hele antieke lift, daarna een kort tourtje met veel uitleg, en op het einde bleek dat de lift vals was (je zag nochtans muur voorbij vliegen) – de hele groep was er in getrapt. Wij vonden het een supergrappig bezoek! Goldfield was onze favoriete ghost town van de reis!

  

Terug op weg, op de Apache Trail! Het landschap werd mooier en mooier. Het was superdruk want het was zaterdag en veel Amerikanen maakten een uitje naar de meren (met hun boten).  Langs Apache trail passeer je 3 meren, ontstaan door het indammen van de Salt River. Mooi contrast tussen het helderblauw, en de ruige bergen met groene cactussen! We maakten een korte stop om de mooie rotsen (met speciaal fluo groen korstmos?) te bekijken en Roel zag hier een grote spin. Het eerste grote meer dat we passeerden is Canyon Lake, en dan waren we al gauw in het mini dorpje Tortilla Flat. Ook weer zo’n voormalig goudzoekerskamp. Het zijn maar een paar huizen, maar wel sfeervol. Het was enorm druk; we vonden moeilijk parkeerplaats. We kochten een ijsje want we waren heel erg benieuwd naar het Prickly Pear ijs (cactusijs dus!): 10 dollar per ijsje met twee bollen! Het cactusijs (oranje-roos achtig) was best lekker, maar de strawberry cheesecake smaak was veel lekkerder. Er speelde een bandje muziek in één van de twee café’s. We namen ook een kijkje in de bomvolle saloon (er was een wachtlijst om te eten!) vol dollar biljetten, grappige zadelbarkrukken en nog leukere beschilderde WC deuren. Buiten zagen we ook een mini schooltje, een oud mijnwagentje,… leuk!

  

 

  

 

Een beetje verder werd de weg onverhard en zou zo nog een hele tijd blijven. Lekker stof maken dus! Een spectaculair uitzichtpunt (helemaal aangelegd met paadjes en schuilhutjes) tussen de bloeiende cactussen en ocotillo’s. Daarna volgde een spannende afdaling naar Fish Creek, en een smal bruggetje, langs hoge rotswanden. We picknickten een beetje verder naast de weg en kwamen bij Apache Lake. We reden niet naar de Marina, maar de uitzichten op dit blauwe meer waren weer fantastisch. Het meer werd nauwer en we kwamen bij de Roosevelt Dam: gebouwd tussen 1904 en 1911, een echt technisch hoogstandje voor die tijd. Er stonden heel wat informatie borden. Achter de dam was het meest pittoreske gedeelte voorbij (en was er weer asfalt): we zagen het grote Roosevelt Lake, en een leuke brug waar over reden – en weer terug. Naast het meer ligt Tonto National Monument. Die dag toevallig gratis, dus een drukte van jewelste. Jammer dat we niet vroeger wisten dat we die dag op eigen houtje naar de Upper Cliff Dwelling konden wandelen (kan anders enkel in groep met gids). Na een bezoekje aan het visitor center (stempel halen), maakten we de korte steile wandeling naar Lower Cliff Dwelling (14de eeuw, Salado). Deze cliff dwelling leek heel erg op wat we vorig jaar zagen in Mesa Verde. De ligging was magnifiek, onder een rotskam, tussen de cactussen, met zicht op het meer in de verte.

 

We moesten nog een flinke rit van een paar uur maken. De GPS stuurde ons via Globe en Winkelman over highway 77 zuidwaarts. Afwisselend landschap: groene bergen, hellingen met saguaro’s, grijze bergen, een paar vrij triestige dorpjes. Het begon al te schemeren toen we bij de mooie Catalina bergen aan de rand van de stad Tucson kwamen. Via een weg met enorm veel verkeerslichten reden we richting ons overnachtingsadres, voor twee nachten deze keer. Wat is Tucson groot! We passeerden elke mogelijke winkel- en fast food keten meerdere keren. Wij sliepen bij the Casitas at Smokey Springs Ranch. Een kleine dirtroad in, vonden we al gauw de mooie toegangs poort. Op het grote terrein staan een paar huisjes verspreid tussen mooie bomen en cactussen. Leuk aangelegd. Het was al pikdonker toen we ons huisje, “Raindancer Casita”, vonden. Alles er op en er aan: een salon, eettoog, keuken, slaap- en badkamer, 2 terrassen, en leuke decoratie. Uit eten gingen we bij Mama’s Pizzeria, waar we elk een grote pizza aten. En dan slapen in een heel klein bed, na een warme dag op de prachtige Apache Trail!

 

20 maart – Saguaro’s, saguaro’s en nog meer saguaro’s in Tucson                      

 

 

Goed op tijd opgestaan, we wilden immers met openingstijd bij het Arizona-Sonora Desert Museum zijn. Heel vroeg dus nog, toen we een theetje (omdat we geen melk in onze casita hadden) dronken op het terras. We wandelden even rond op het terrein van de casita’s; echt prachtig met zelfs een kleine jacuzzi en een mini-mini-golf. In de verte zagen we hoge bergen. Daarna reden we naar de andere kant van Tucson en kwamen onderweg zelfs een wielerwedstrijd tegen. Omdat ik toch een dosis koffie nodig had, haalden we onderweg nog een koffie en breakfast-muffin bij de drive in van McDonalds (wij passen ons altijd vlot aan aan de lokale cultuur als we op vakantie zijn).

 

Via de mooie Gate Pass Road (hellingen vol Saguaro’s en langs ruige bergen) kwamen we nog voor 8u bij het desert museum. Dit museum is volledig gericht op de lokale flora en fauna. Er is een grot van plastiek (grappig), slangen, mountain lions, hertjes, en een trail door de woestijn langs o.a. coyotes en javalina’s (leuke zwijntjes). Het allerleukste waren natuurlijk de vogelkooien. Er was een kooi met kolobri’s waar je “vrij” tussen liep. Ze zoefden langs je heen. Zo schattig maar helaas moeilijk op foto vast te leggen. Ook de grotere vogelkooi was de moeite met ook o.a. weer kolibri’s. We zagen veel vlinders en bloemen. Toen we ons op een terras neerzetten met een koffie en een ijsje, zoefde er ook daar een kolibri voorbij. Toen de grote mensenmassa toestroomde in deze populaire zoo, vertrokken wij er al weer.

 

Niet ver, want Saguaro National Park West (Tucson Mountain district) lag vlakbij. We namen een kijkje en een stempel in het visitor center en begonnen dan aan de onverharde Scenic Bajada loop. Saguaro NP is speciaal opgericht om de saguaro’s te beschermen. Deze cactussen kan wel 15 m hoog en 200 j oud worden. Wij zagen er heel veel deze reis, maar het schijnt toch een kwetsbare plant te zijn. Enkele tientallen jaren gelden stonden er hele dichte wouden; toen hun aantallen achteruit gingen is Saguaro NP opgericht. Nu gaat het weer beter. Maar het schijnt deze winter gevroren te hebben, wat blijkbaar heel slecht zou zijn voor deze reuze cactussen?

 

We wandelden 2 korte trails. Allereerst de Scenic Valley Overlook Trail waar we heel de tijd konden genieten van de prachtige woestijnvegetatie. Opvallend veel vogels hier, bvb. spechten. Vanaf de overview zag je wachtbekkens met water, en ook Tucson. Een beetje verder was Sighal Hill, een heuvel vol rotsblokken waarop heel wat oude rotstekeningen terug te vinden waren (spiralen, maar ook een hertje). Mooie uitzichten hier! Saguaro is erg mooi, maar aangezien we gisteren ook al een hele dag Saguaro’s gezien hadden en Saguaro NP toch wel wat verbleekt  bij de Apache Trail van de dag ervoor, vonden we het tijd voor iets anders. Het was ondertussen al heel warm, en als lunch kozen we voor een hot-dog bij een tankstation.

 

We zetten dan ook koers naar San Xavier del Bac; een missie post gebouwd in de 18de eeuw. Ligt midden in de vlakte in een indianen reservaat. Een groot contract tussen het sjieke Tucson en de armoede hier. Hier lag zelfs vuiligheid in de wegberm (een uitzondering in Amerika) en er was een kerkhof versierd met kerstslingers. De missie post was prachtig met een prachtig witte gevel. Er was een gezellige drukte (het was zondag) op het plein voor de missie en vanbinnen stond een lange rij. Roel wilde er al in gaan staan, maar deze file bleek te zijn voor het aaien en opheffen van, zagen we dat goed, een mummie? Nee het bleek gelukkig een houten beeld te zijn. Het interieur van de kerk was heel rijkelijk, zoals de mooiste Europese kerken. We bezochten het kleine museum en konden zo een blik werpen op het mooie binnenplein. Voor de kerk aten we nog het Frybread van één van de vele indianen kraampjes. Het smaakte naar platte vette smoutebol.

 

Een volgend bezoekje was aan het Pima Air & Space Museum. Omdat de lucht in Tucson zo droog is, is dat ideaal voor het bewaren van vliegtuigen. Daarom zijn hier veel vliegtuigopslagplaatsen. In dit (dure) museum staan 250 vliegtuigen opgesteld, die allerlei heroïsche dingen meegemaakt hebben. Er zijn ook hangars met tentoonstellingen. Wij namen het treintje met gids om de vliegtuigen te bekijken. Dit was enorm enorm saai, een opsomming over de vliegtuigen. Ik viel er letterlijk bij in slaap. We (en ook de andere mensen op het treintje) waren heel blij dat we er af mochten, en bezochten nog een hangar over WOII, en over de ruimtevaart. Hier was een stukje maan te bekijken dus dat gingen we zoeken, maar het was heel klein. Rond een uur of 4 vertrokken we hier, en reden we terug naar Tucson. Het leek ons wel leuk een bezoekje te brengen aan Old Tucson. We parkeerden de auto in het centrum en maakten een wandeling door El Presidio (oude kolonisten wijk) en Barrio Historico (oude Mexicaanse wijk). Zag er leuk uit, allemaal vrolijk gekleurde lage huisjes. Helaas was alles dicht en waren er behalve een paar daklozen bijna geen mensen op straat. We hebben ons dan maar terug naar de auto gehaast. Door de studentenbuurt (daar was wel volk op straat) reden we de stad uit.

 

Op naar de supermarkt Albertsons om aankopen te doen; onze casita had een BBQ dus daar wilden we van profiteren. Altijd een heel avontuur om in een Amerikaanse supermarkt te vinden wat je zoekt. Er is altijd zo veel keuze. Met heel veel boodschappen kwamen we, weer in het donker, toe bij onze casita om deze keer dus zelf eens te koken. We hadden eigenlijk toch niet genoeg kolen dus het was niet gemakkelijk maar wel weer een hele belevenis. Het was alleszins heerlijk rustig op ons terrasje.

 

 

21 maart – naar de cowboys van Tombstone en de mijnwerkers in Bisbee

                                                                                                                                 155 km.

 

Afscheid van onze casita (deze keer wel koffie met melk) en we reden naar Saguaro National Park East (Rincon Mountain district). We volgden de 8 mijl lange Cactus Forest Drive. Weer zo’n leuke loop door de mooie vegetatie; heuvel op, heuvel af. Met die loop doe je maar een stukje van dit park; de rest van park leek ons heel bergachtig en bebost. We stapten even uit bij Mica View en Javelina (leuke rotsen!) en deden wat verder de Freeman Homestead Trail (1 mijl). Er stond in het begin een waarschuwing dat er onlangs een beer gezien was. Gelukkig niet tegengekomen, want we liepen hier verder helemaal alleen rond. Weer leuk op en af kleine hellingen tussen de metershoge Saguaro’s. Na een uurtje in Saguaro NP lieten we, na een stempelstop bij het bezoekerscentrum dat net open ging, Tucson achter ons, via de Old Spanish Trail en wat later de Interstate. Bij het gezellige Benson verlieten we die laatste al weer.

 

Op weg naar het beroemde Tombstone! Vlak voor Tombstone stopten we bij Boothill Graveyard. Dit kerkhof uit de tijd 1878-1884 bevat tientallen graven die er allemaal een beetje hetzelfde uitzien; allemaal vergezeld met een bordje met meestal ook de doodsoorzaak. En als je het gidsje zo leest: vertrappeld door zijn paard, overvallen door apachen, doodgeschoten, “hanged by mistake”,… Ja het was hier vroeger heel plezant! Het zag er een beetje nagemaakt uit, maar Roel zag later op oude foto’s dat het er toch alleszins al een tijdje zo uitziet. Op naar Tombstone “the town too tough to die” (goudzoekersstadje dat ondanks het sluiten van de mijnen geen spookstadje werd), we zochten een parkeerplaatsje bij de city hall, en trokken het stadje in. Pffff wat een wind, met felle rukwinden. We wilden eerst lunchen maar het eerste sympathieke café waar we naar toe trokken serveerde geen eten. Koffie dan maar, en daarna de hoofdstraat in “Allen Street”. Afgesloten voor auto’s en vol prachtige ouderwetse houten gebouwen in allerlei kleuren.

 

We besloten eerst de OK Corrall met een bezoekje te vereren. Deze plek is berucht van het beroemde vuurgevecht uit 1881 waarvan de verliezers op de Boothill Graveyard belandden. Eerst het museum met o.a. stallen, een smidse, de site van de vuurgevecht (met grappige bewegende poppen) en zelfs de lijkenwagen die destijds gebruikt is. Daarna bekeken we het historama; enorm leuk want met een ouderwetse bewegende maquette werd de geschiedenis van Tombstone verteld. Tijd om lunch te zoeken! De bekendere restaurants zoals Big Nose Kate’s Saloon als Crystal Palace (leuk om te zien allebei) waren bomvol, maar in het sfeervolle rustigere Longgrove Restaurant was nog plaats. Deze keer de prijs voor lekkerste eten van de reis. En zoals overal in Tombstone leuk mensen kijken, want sommigen dossen zich hier uit als cowboy. Verder op de hoofdstraat lag het Bird Cage Theater: een variété theater/casino/bordeel en het meest authentieke gebouw in Tombstone (de rest is verschillende keren afgebrand blijkbaar). Nadat het in 1889 de deuren sloten, bleven die ongeopend tot de jaren ’30 wanneer het een museum werd. Het zag er ook echt heel oud uit compleet met alle details! Leuk bezoekje. We wandelden ook nog tot de Tombstone Epitaph waar we een herdruk van de krant uit 1881 meekregen en oude drukpersen bekeken.

 

Zuid Arizona schijnt ideaal leefgebied te zijn voor kolibri’s en omdat ik die toch wel heel graag nog eens in het wild zou bekijken, besloten we één van de beboste canyons te gaan bekijken. Daarom zetten we koers naar het levendige Sierra Vista, naar Ramsey Canyon. Hier komen 14 soorten van deze grappige vogeltjes voor! Het landschap was hier totaal anders dan de rest van Arizona. We betaalden in het bezoekerscentrum (waar de oude vrijwilliger van dienst heeeeeeeeel veel tijd nodig had om ons de wandelweg (altijd rechtdoor) uit te leggen) en maakten daarna een wandeling van een paar kilometer. Een schattig riviertje en veel bos. Daarna veel trappen om een uitzicht te hebben op de groene canyon. Maar we waren te vroeg op het seizoen voor kolobri’s; ook bij de feeders waren er geen te zien. We zagen wel een aantal schattige White tailed deer (hertjes); ook verder op de terugweg vanuit de auto zagen we er. Toch jammer van de kolibri’s…

 

Langs de Mexicaanse grens vervolgden we onze weg, richting Bisbee (was vlakbij!). Weer een totaal ander landschap: een vlakte met gele (dorre) wuivende grassen, met in de verte bergen. En een zwarte streep door het landschap: de grens! Een soort van ijzeren gordijn… We gingen de grens eens van wat dichter bekijken in Naco: er was een grenspost voor auto’s en wat verder één voor voetgangers. Zag er goed beveiligd uit… We zijn maar wijselijk aan “onze” kant van de grens gebleven… Hier in de streek hebben we trouwens ook weer regelmatig Border Patrol zien rondrijden. Zo kwamen we in Bisbee: Tombstone was de stad van de cowboys, Bisbee de stad van de mijnwerkers. We zagen  de Lavender Open Mine Pit; een wel heel groot gat in de grond – was in gebruik tot de jaren ’70. De opengegraven berghellingen vertoonden enorm veel verschillende kleuren. Indrukwekkend! En nog altijd veel wind!

 

Ons hotel lag hier niet ver af. Hoewel, hotel? We sliepen in het kleine caravanpark de Shady Dell. Over origineel logies gesproken! Hier kan je in 10 verschillende, gerestaureerde trailers uit de jaren 50 slapen, waaronder ook de “tiki bus” en een bootje. Ik had de Airfloat uitgekozen (één van de grootste en met eigen badkamer). Alle details waren compleet; er speelde een ouderwets deuntje op de antieke radio en er stond zelfs zo’n grammofoon speler. Na een korte verkenning van de Shady Dell (helaas lag het naast een kerkhof, brrrrrrrr) vertrokken we richting Bisbee om te eten. Bisbee ziet er totaal niet Amerikaans uit; het (ook de bouwstijl) deed ons denken aan de Ardennen. Het gezellige stadje lag op steile hellingen (groene steek hier trouwens!). We reden de O.K. street in, heel smal. Van bovenaf hadden we en goed zicht op de talrijke lichtjes in de stad en zagen we ook enkele van de vele trappen die het stadje rijk is. Na ons ritje hadden we een plekje uitgekozen om te gaan eten: de Bisbee Grill. Het was weer best lekker!  We maakten nog een klein wandelingetje in het schattige Bisbee, voor weer naar onze Airfloat te trekken. Op het kleine zwart wit tv’tje, dat Roel na wat sukkelen aan de praat kreeg, bekeken we nog een oude zwart wit film over een bezoekje uit de ruimte. Leuk! Buiten gierde nog steeds de wind en was er zelfs een stevige regenvlaag!

 

 

22 maart – Wonderland of the Rocks en onze laatste lange rit door Arizona         

        488 km.

 

Tot onze eigen verbazing hadden we heel goed geslapen in de twee kleine bedjes van de Airfloat. We dronken koffie gezet in de ouderwetse perculator koffiezet. Het schattige diner van de Shady Dell was jammer genoeg gesloten, dus trokken we voor ontbijt naar een coffee bar in Bisbee. Dat nadat we ons een plaatsje gereserveerd hadden voor de Queen Mine Tour. Na onze muffin trokken we tegen 9u naar de mijn voor de tour. Deze mijn die in gebruik was tot de jaren ’40 trek je niet zomaar in: eerst werden we uitgerust in een gele jas, een zotte helm en een zware antieke mijnwerkers zaklamp. De hal waar we vertrokken was trouwens ook heel leuk, met allerlei oude elementen. Onze gids sprak heel gebrekkig Engels. We moesten allemaal op zo’n super grappig treintje achter elkaar gaan zitten, en dan daalden we af in de mijn. Het was helemaal donker, behalve onze lampen. Onderweg stapten we twee keer af voor een korte wandeling en uitleg. Die uitleg kwam grotendeels overeen met wat we in Goldfield gehoord hadden en ze hadden hier ook weer zo’n mijnwerkers-WC. Het treintje werd gedraaid en via dezelfde weg verlieten we de mijn weer. Ik vond het een erg plezant origineel bezoekje.

 

Het was ondertussen 10u en dus tijd om aan onze lange route van vandaag te beginnen. We maakten immers een flinke omweg voor onze volgende bezienswaardigheid. We reden 1.5 uur door geel grasland. Langs eenzame dorpjes vaak met verlaten huizen en autowrakken, besproeide weilanden, koetjes,… Een boeiende rit! Onderweg tankten we bij een vrolijk geschilderd tankstation. Zo kwamen we ’s middags aan bij Chricachua National Monument. Dit gebergte rijst al een “sky island” op uit het omringende grasland. Vroeger voerden de apache indianen aanvallen op de pioniers uit vanaf hier. Via de Bonita Canyon Drive reden we verder het park in, eerst langs de graven van het Zweedse gezin dat hier als eerste woonde eind 19de eeuw. Meteen vanaf de ingang werd het landschap groen en al gauw zagen we de beroemde rotspilaren die ontstaan zijn uit vulkanisch gesteente. We namen uiteraard een kijkje (en een stemple) in het bezoekerscentrum. Daarna kronkelden we langs berghellingen en picknickten (restjes…) op rotsen langs de zijweg naar Sugerloaf Mountain.

 

Tijd voor onze helaas laatste wandeling van deze reis, maar het werd een hele mooie: een combinatie van de Echo Canyon Trail, Hailstone Trail en de Edd RigsTrail. (rondje van 5 km.). Er stond veel wind boven dus trui en jas aan, maar wat verder had ik die al niet meer nodig (Roel lachen). Twee wandelgroepen waren net gestart maar natuurlijk hadden wij die al snel achter ons gelaten. Het pad kronkelde tussen de pilaren naar beneden, langs ravijnen. Heel spectaculair! De grijze rotsen hadden ook weer van dat fluo mos. Het was hier zo mooi, niet op foto vast te leggen. We kwamen zo in het bos terecht. De wandeling was nu vlakker langs een berghelling en daarna langzaam stijgen door het bos naar het beginpunt. We gingen ook nog een kijkje nemen bij Massai Point: van hier zie je heel veel pilaren liggen. In de buurt van het bezoekerscentrum zagen we weer een heleboel van die schattige hertjes (white tailed deer). We zijn ver omgereden voor een bezoekje aan Chricahua “Wonderland of the Rocks” maar het was een waardige afsluiter van onze reis en we hebben ook genoten van de lange rit door eenzame graslanden!

 

Rond een uur of 3 begonnen we aan de lange rit van meer dan 3 uur terug naar Phoenix. Eerst over kleinere wegen door het grasland, daarna over de interstate via Tucson. We genoten nog volop van het rijden in de US. Onderweg passeerden we trouwens een spectaculair rotsen gebied (leek op Joshua Tree). En we aten nog een hamburger bij In&Out burger in Tucson (erg lekker en leuk omdat je de keuken echt kon bezig zien).  De begon al onder te gaan toen we de agglomeratie van Phoenix binnenreden. We zagen een hele file van vliegtuiglichtjes in de lucht. En op weg naar het hotel reden we – heel gek was dat – dwars door een rode rotsen gebied; dat is Papago Park.

 

Zo kwamen we bij ons hotel voor de laatste nacht: de Best Western Papago Inn. Weer vriendelijk ontvangen hier. Alle kamers lagen rondom een binnentuin die heel schattig was ingericht met prieeltjes en mooie verlichting. We besloten er een rustige avond van te maken en gingen nog even zwemmen. Daarna wandelden we langs de baan van het hotel op zoek naar een restaurantje. Zo kwamen we terecht bij een buffet-chinees. Echt super goedkoop en viel eigenlijk reuze mee. Auto uitkuisen en koffers klaarmaken, en op tijd gaan slapen.

 

23 maart – afscheid van de USA

 

Vroeg op (4u) en dan de korte rit naar de luchthaven van Phoenix. Auto inleveren (altijd beetje droevig moment!) en met de shuttle naar de luchthaven. Op de luchthaven zijn we gaan ontbijten, we hebben geinternet, volgden hoe een dakloze (?) door de politie weggevoerd werd, er was een kleine leuke tentoonstelling (over de luchthaven en over een lokale held van daar uit de oorlog) en we hadden lol met het berichtjes-bord-systeem. Na een tijd hadden ze precies wel door dat Bart en Lisa elkaar enkel voor de grap berichtjes stuurden… Onze vlucht naar Chicago had vertraging; dat bleek te komen door slecht weer in Chicago. (gelukkig dat dat de reden was, want we hadden ze ook al zien sleutelen aan het vliegtuig). Geen probleem, onze overstap tijd daar was nog ruim genoeg. Bijna alle vluchten hadden vertraging of waren afgelast. Die van ons gelukkig niet. We aten in de foodcourt. Tijdens de vlucht naar Brussel heb ik geslapen en heeft Roel zich verveeld.

 

24 maart – terug thuis…

 

Op tijd geland. Papa taxi bracht ons terug thuis. De lente was ondertussen duidelijk ook in België begonnen! Terug thuis na één van onze allermooiste en allerleukste reizen! Onze favorieten blijven ongewijzigd: Las Vegas voor Roel en Death Valley voor mij!

 

 

Opvallend:

De Amerikaanse rijstijl blijft ons opvallen. Het “stoppen” aan kruispunten blijven we belachelijk vinden, heel tegenstrijdig met het niet laten invoegen!

 

De politie in actie; dit blijven we fascinerend vinden!

 

Veel fietsers tegengekomen, vooral in Death Valley. Lijkt ons echt levensgevaarlijk in het land van koning auto!

 

Papiertjes die je kreeg bij bepaalde National Monuments om mensen te “verklikken” die iets deden wat niet hoorde

 

Verhuizen de Amerikanen? Laat de boel toch lekker verder wegrotten! Auto kapot? Die staat toch nog leuk in de voortuin! Huis te klein? Zet er gewoon een caravan naast!

 

De vriendelijkheid van de Amerikanen. Heel ontspannen reizen zo!

 

“Are you from Germany?”

 

“This museum is for free, but please give a donation.”

 

Bijna geen Europeanen tegengekomen, en maar één keer Nederlands gehoord J

 

En maar twee keer regen gehad: één keer een paar druppels in Flagstaff (in de auto), en één keer ’s nachts in Bisbee. Een hele stapel truien en lange broeken ging na het verlof ongedragen weer de kleerkast in! J